Redacteur: Bas Hakker
De Haagse binnenstad verandert. Niet met kleine stappen, maar met grote bewegingen die de komende decennia voelbaar blijven. Waar winkels ooit de boventoon voerden, ontstaat nu een gelaagde stadsomgeving waar cultuur, horeca, onderwijs, leisure en werken elkaar versterken. Het Binnenstadsplan 2033, het derde tienjarenplan voor de Haagse binnenstad, vormt daarbij het kompas. Voorzitter Stichting Binnenstadsmanagement Ad Dekkers en programmamanager Wim Hamming schetsen de ambities, de dynamiek en vooral het samenspel.
Dat Den Haag in een stevige transformatie zit, merkt Wim Hamming dagelijks: ‘Als je kijkt naar de G4 en G5, dan zitten wij, na Amsterdam, op nummer twee qua lage leegstand.’ Die constatering zegt veel over de vitaliteit van de stad. Strategische panden zijn vrijwel allemaal ingevuld, vaak met nieuwe functies die het centrum sterker maken. Het voorbeeld dat beide mannen het meest trots maakt, is de komst van Universiteit Leiden in het voormalige V&D-complex. ‘In één klap 4.000 studenten en 1.000 medewerkers, dag in dag uit in je binnenstad,’ zegt Hamming. ‘Dat is een van de meest spraakmakende transformaties geweest.’ De impact ervan is zichtbaar én voelbaar: jong publiek, nieuwe ritmes, een andere manier van gebruikmaken van de stad. Dekkers vult aan dat die demografische verschuiving precies past in het grotere plaatje: ‘Die categorie studenten voegt weer een element toe aan de bezoekerspopulatie. Dat draagt bij aan een betere mix.’ De binnenstad wordt daardoor niet alleen drukker, maar vooral diverser.
In het nieuwe binnenstadsplan staat een belangrijk uitgangspunt centraal: menging van functies, maar wél op de juiste plekken. Dekkers: ‘We blijven geloven in de retailfunctie. We hebben gebieden aangewezen waar we kunnen transformeren naar andere functies, maar in het oude kernwinkelgebied blijft de plint heilig.’ Daarmee stuurt de stad op een zorgvuldig evenwicht. In de kern blijven winkels en horeca trekken; op bovenmeters en daaromheen ontstaan zones waar ruimte is voor nieuwe vormen van ondernemerschap, ambacht, cultuur en leisure. Hamming ziet die nuance ook terug in de praktijk: ‘Die sfeergebieden hebben allemaal hun eigen karakter. Sommige zijn historisch zo gegroeid, andere helpen we een handje door gericht acquisitie te doen om een profiel te versterken.’ Zo ontstaat een mozaïek van straten en pleinen, elk met een eigen signatuur en een eigen publiek.
De Haagse binnenstad staat vol met voorbeelden die deze visie concreet maken. Een van de meest besproken is de herbestemming van de voormalige Marks & Spencer: drie etages omgetoverd tot een boulderhal, midden in het winkelgebied. Hamming zegt: ‘Als je me dat tien jaar geleden had verteld, had ik gezegd: je bent niet goed bij je hoofd. Maar nu is het langdurig aangehuurd.’ De locatie moet dus steeds meer een plek worden waar sport, horeca en studieplekken samenkomen. Daarnaast versterken internationale retailers zoals Uniqlo het hoogwaardige profiel van het centrum. ‘Dat zijn partijen die niet overal zitten,’ zegt Hamming. ‘Ze kiezen voor de topsteden en voor ons is dat natuurlijk een enorme trekker.’ Den Haag hoort volgens hem nadrukkelijk in dat rijtje thuis. Ook verrassende samenwerkingen ontstaan spontaan: ‘De boulderhal werkt samen met Bever en Decathlon voor events,’ vertelt Hamming. ‘Dat levert omzet op voor iedereen.’ Het laat zien hoe nieuwe functies niet concurreren, maar elkaar juist versterken.
Achter die zichtbare transities schuilt een intensief netwerk van overlegstructuren. Hamming legt uit: ‘We hebben een halfjaarlijks overleg met alle grote vastgoedpartijen. Daar schuift de gemeente bij aan. Dat overleg is in de coronaperiode ontstaan en is nu een goedlopend platform.’ De kracht zit in het gedeelde belang: Den Haag kent veel lange termijnbeleggers; partijen die niet voor vijf jaar investeren, maar voor decennia.
Naast het strategisch overleg is er een tweede laag waarin het dagelijkse functioneren van de binnenstad wordt besproken. Hamming: ‘In dat overleg zitten ondernemers, makelaars, mensen van de gemeente. Daar kijken we operationeel: waar moet wat gebeuren?’ Volgens Dekkers is dit samenspel uniek doordat ook bewoners een vaste plek aan tafel hebben: ‘Bij ons zitten eigenlijk alle private partijen, maar óók bewoners. Dat is best uniek.’ Die brede vertegenwoordiging zorgt ervoor dat het binnenstadsplan jaarlijks wordt vertaald naar een gedeeld aanvalsplan: een concrete actielijst waar zowel gemeente als private partijen zich aan verbinden. ‘Iedereen zit er met zijn eigen belangen, maar juist daarom is samenwerking aan de gezamenlijke belangen belangrijk,’ aldus Dekkers.
Beleving wordt steeds belangrijker. Den Haag kiest daarom bewust voor tijdelijke installaties, evenementen en aantrekkelijke buitenruimte. Tijdens de renovatie van het Binnenhof werd bijvoorbeeld een uitkijktoren geplaatst. Hamming: ‘Binnen een paar maanden hadden we meer dan een half miljoen bezoekers. Misschien wordt het wel iets permanents.’ De Royal Christmas Fair groeit bovendien uit tot een toeristische trekpleister. ‘Ze komen van heinde en verre,’ zegt Dekkers. ‘Het is inmiddels een onderscheidende kerstmarkt.’ Al deze initiatieven voeden de verblijfsfunctie van het centrum, van zitplekken langs de Hofvijver tot zomerprogramma’s met water en terrassen. Het maakt de binnenstad meer dan een winkelgebied: het wordt een ontmoetingsruimte. ‘Dat wordt steeds belangrijker,’ zegt Hamming.
Geen binnenstad zonder frictie. Vooral de doorlooptijd van projecten is een uitdaging, zegt Hamming duidelijk: ‘Binnenstedelijk ontwikkelen is hartstikke duur. De gemeente heeft wensen, ontwikkelaars hebben plannen, maar de doorlooptijd en kosten zijn soms een uitdaging.’ Daarnaast vraagt de historische binnenstad om voorzichtigheid. ‘Je wil het karakter bewaren, maar je wilt óók kansen grijpen,’ zegt hij. Die balans vraagt voortdurende afstemming. Ook de openbare ruimte staat onder druk. Dekkers: ‘We worden steeds meer een stad waar de voetganger op één staat. Maar dan moet je ook iets doen aan fietsen, parkeren en ruimtegebruik.’ Niet iedereen staat te juichen als parkeerplaatsen verdwijnen, maar de kwaliteit van de binnenstad staat voorop. Tot slot is er de vraag hoe wonen zich verhoudt tot andere functies. ‘Het is verleidelijk om vol op wonen te gaan,’ zegt Hamming, ‘maar we willen juist ook bedrijven, maatschappelijk dienstverleners en nieuwe functies boven de plint.’ De groei rondom de stations – straks duizenden nieuwe bewoners – maakt die mix nog belangrijker. ‘Al die mensen worden bezoekers van de huiskamer van de stad.’