28 nov. Erwin Asselman

Fiscale eindejaarsgedachten

Column:

Het jaar 2023 nadert zijn einde. Een goed moment om nog even te bezien of er voor jaareinde fiscaal nog iets geregeld moet worden.

Een belangrijk aandachtspunt is voor veel partijen de schuldpositie met de eigen vennootschap. Indien deze schuld (met uitzondering van bepaalde schulden voor de eigen woning) hoger is dan € 700.000 wordt het meerdere als een fictief dividend belast in box II tegen een tarief van 26,9%. Het is dus zaak om deze schuldposities nog voor jaareinde in kaart te brengen. Daarbij is van belang dat bijvoorbeeld ook leningen aan kinderen van de aandeelhouder door de vennootschap en leningen van derden aan de aandeelhouder met een garantsstelling door de vennootschap onder omstandigheden eveneens in aanmerking moeten worden genomen. Verder mogen vorderingen en schulden op de vennootschap niet met elkaar worden gesaldeerd (dus voor jaareinde zorgen dat verrekeningen e.d. al zijn gerealiseerd). Op basis van het aldus verkregen inzicht kan vervolgens bekeken worden of gehele of gedeeltelijk aflossing mogelijk is door bijvoorbeeld:

  • te herfinancieren bij een bank of een andere partij niet zijnde een eigen vennootschap;
  • privé bezittingen niet zijnde vastgoed (want dat kost doorgaans 10,4% overdrachtsbelasting) over te dragen aan de eigen B.V.

Deze oplossingen kosten, in beginsel, geen belasting. Een andere oplossing is een (gedeeltelijke) aflossing door de vennootschap dividend te laten uitkeren. In dat geval is er uiteraard 26,9% box II heffing verschuldigd. Diezelfde heffing zou ook verschuldigd zijn over het fictieve rendement indien de schuld gewoon in stand wordt gelaten. Dat kan onder omstandigheden fiscaal een betere keuze zijn dan aflossing met een dividenduitkering. De schuld telt dan nog steeds mee in box III (met aftrek fictieve rente en wellicht zelfs de vermijding van heffing in box III bij een door de schuldpositie negatief box III vermogen) voor het jaar 2024. Daar staat dan onder meer tegenover dat de rentetikker over de schuld blijft doorlopen die bij de vennootschap wordt belast voor de vennootschapsbelasting en uiteindelijk aanleiding zal geven tot een hogere box II heffing. Overigens heeft de tweede kamer vlak voor het verkiezingsreces een voorstel aangenomen om vanaf het jaar 2024 het bedrag dat maximaal van de eigen vennootschap mag worden geleend te verlagen van € 700.000 naar € 500.000. De eerste kamer moet zich nog over dit voorstel buigen maar wellicht goed dat u die wijziging ook al vast meeneemt in uw overwegingen met betrekking tot de fiscale planning voor dit jaar.

Tijdens diezelfde vergadering is overigens besloten om voor 2024 het hoogste box II tarief te verhogen naar 33% en het box III tarief naar 36%. Met name die eerste verhoging maakt dat er een enorm verschil is met het huidige tarief van 26,9%. In feite breidt de staat zonder te betalen haar huidige belang in uw vennootschap uit van 26,9% naar 33%. U levert dus vanaf 1 januari 2024 6,1% van uw aandelenwaarde in. In dat kader kan overwogen worden om voor jaareinde nog een forse dividenduitkering te doen om zoveel mogelijk de waarde van de aanstaande onteigening te beperken. Ter vermijding of beperking van box III heffing zou dan voor jaareinde nog besloten kunnen worden om de netto dividenduitkering weer terug te storten in de eigen vennootschap als eigen vermogen in de vorm van bijvoorbeeld agio.

Het was fiscaal een bijzonder jaar waarbij tot het laatst toe bij de ondernemer/belegger door de politiek is gegraaid om onder meer vlak voor de verkiezingen cadeautjes uit te kunnen delen aan het eigen (potentiële) electoraat.

René Maat
Belastingadviseur en
partner Rechtstaete Vastgoedadvocaten
en Belastingadviseurs

All rights reserved © 2024 Young Media