Redacteur: Bas Hakker
Steden veranderen voortdurend. Ze ademen de dynamiek van bewoners, ondernemers, beleidsmakers en bezoekers. Maar hoe zorg je ervoor dat een stad niet alleen groeit, maar ook leefbaar, divers en aantrekkelijk blijft voor iedereen? In Den Haag staat die vraag steeds prominenter op de agenda. Bram Heijkers, directeur van Platform STAD, houdt zich dagelijks bezig met die zoektocht. Zijn organisatie brengt architecten, projectontwikkelaars, ondernemers, ontwerpers, bewoners, belangenorganisaties en beleidsmakers samen om met elkaar het gesprek te voeren over stedelijke ontwikkeling in Den Haag.
‘Platform STAD is een onafhankelijke stichting die negen jaar geleden is opgericht omdat er behoefte was aan een bredere manier van praten over stedelijke ontwikkeling in Den Haag. Niet alleen maar experts onder elkaar, maar juist toegankelijk, inclusief en concreet. Het gaat over pleinen, woningen, winkels, werkplekken, parkeeroplossingen, alles wat de ruimtelijke en economische structuur van de stad vormt. We brengen verschillende groepen samen: architecten, ondernemers, ontwikkelaars, belangenorganisaties, mensen uit de culturele sector. Je wil dat verschillende bloedgroepen met elkaar praten. Dat gebeurt nog te weinig op een natuurlijke manier.’
‘Als je puur naar de cijfers kijkt, gaat het best goed met Den Haag. Maar onder die cijfers zit een fundamentele discussie. We hebben in Den Haag nog een sterke “foundational economy”: loodgieters, bakkers, kleine makers, lokale winkels. Dat is cruciaal voor de levendigheid van de stad. Maar tegelijkertijd is er veel aandacht voor hippe, innovatieve clusters en hoogopgeleide sectoren. En de vraag is: waar zet je op in, zeker in een stad met beperkte ruimte? Ik zie het als een risico om te makkelijk te kiezen voor de hippe kantoorconcepten en creatieve hubs. Je moet ook ruimte blijven maken voor de basis, voor de maakindustrie, voor de ondernemers die een stad draaiende houden.’
‘Je moet anders durven denken. Veel ondernemers hoeven helemaal niet op de begane grond te zitten. Een timmerman zei eens: “Waarom zou ik zoveel betalen voor een winkelplint? Zet mijn werkplaats maar op de eerste verdieping en maak beneden een gedeelde showroom.” Dan creëer je én een levendige straat én een efficiënte werkruimte. Hetzelfde geldt voor industrie in bestaande gebouwen. Ik heb meegemaakt dat een brouwer op de vijfde verdieping van een oude Philipsfabriek wilde zitten. In eerste instantie mocht dat niet vanwege de milieucategorie, maar na navraag bleek dat het wél kon zolang hij onder een bepaalde productiedrempel bleef. Dat is precies waar het om gaat: niet in beperkingen denken, maar in mogelijkheden. Regels zijn er, maar je moet wel scherp blijven kijken wat er wél kan.’
‘In sommige gebieden klopt dat absoluut. Neem het Central Innovation District, het concept voor de ontwikkeling van een groot gebied in het Haagse centrum. Hartstikke leuk, hip, veel tech-startups, maar je hebt daar óók bakkers, een slotenmaker en een fietsenmaker nodig. In hoogstedelijke gebieden met veel woontorens neemt de vraag naar basisvoorzieningen juist toe. Als je alleen maar inzet op hoogopgeleid werk en designkantoorconcepten, dan snijd je jezelf in de vingers. Maar elders in de stad speelt een ander probleem: mensen bestellen alles online, waardoor winkelcentra leeg raken. Dan krijg je dooie plinten, dichtgeplakte gevels en distributieruimtes op plekken waar je levendigheid wil. Uiteindelijk moeten bewoners ook begrijpen dat hún gedrag een directe impact heeft op hun buurt. Je kunt niet én alles online bestellen én klagen dat de lokale winkels verdwijnen.’
‘Mensen praten zelden expliciet over economie. Ze zeggen: “De geldautomaat is weg”, “De slotenmaker is weg”, “Weer een koffietent erbij.” Dat is hun manier om te zeggen dat het aanbod verschraalt. Ze missen diversiteit en dat is terecht, want dat zie je op meer plekken: eenzijdiger winkels, minder praktische voorzieningen. Je moet als stad actief sturen als je diversiteit wilt behouden. Laat je het volledig aan de markt over, dan krijg je óf alleen maar hippe zaken óf alleen maar laagdrempelig aanbod. Beide zijn geen duurzame situatie.’
‘Gemeente, ondernemers en ontwikkelaars praten wel met elkaar, maar te veel in aparte circuits. De afdeling economie spreekt ondernemers, de afdeling ruimtelijke ordening spreekt ontwikkelaars. Dan zegt de gemeente tegen de ontwikkelaar: “Je moet wel werkruimte maken.” Maar niemand vraagt: wie komt daar dan? Wat hebben die huurders nodig? Hoe zorg je dat het ook echt gevuld wordt? Je moet die partijen veel eerder samenzetten. Wij kunnen dat deels doen, maar uiteindelijk moet de gemeente dit structureler organiseren. En naast praten moet er ook worden geëxperimenteerd. Durf een pilot te draaien, durf regels tijdelijk losser te interpreteren, durf samen risico te dragen. Nu blijven veel goede ideeën hangen omdat niemand de eerste stap durft te zetten.’
‘Ik pleit al langer voor interactieve sessies waarin alle belanghebbenden gezamenlijk een vraagstuk in een specifiek gebied aanpakken. Dus niet: “We horen iedereen afzonderlijk”, maar: een dag lang met elkaar, door alle kokers heen, aan tafel, doorwerken tot er een gedragen plan ligt. Een concept, een businesscase, een ontwerp, niet vrijblijvend, maar concreet. Iedereen moet uit zijn eigen bubbel. En belangrijker: je moet verder kijken dan de korte termijn. Ontwikkelaars denken vaak in korte termijn rendement. Veel pandeigenaren denken in vijftien of twintig jaar rendement. Maar ondernemers die ook pandeigenaren zijn, zien hun pand als pensioen of voor hun kinderen. Die denken juist lange termijn. Dat soort perspectieven moet je samenbrengen.’
‘Ik woon zelf op de grens van Duinoord en het Zeeheldenkwartier, en dat vind ik een geslaagd voorbeeld van een levendige, gemengde wijk. Je hebt verschillende typen winkels, verschillende bevolkingsgroepen, voorzieningen door elkaar. Het is niet perfect en zeker niet allemaal gepland. Maar het laat wél zien dat een mix werkt en tot een fijne leefomgeving leidt. Zuidwest is weer heel anders; daar heb je veel dezelfde woningtypes en andere sociale dynamiek. Daar kun je sturen op meer variatie, maar het blijft een kwetsbaar gebied. Het gaat erom dat je wijk per wijk kijkt wat er nodig is.’
‘Eigenlijk zou Den Haag een stedelijk investeringsfonds moeten hebben, waarin verschillende partijen – gemeente, beleggers, maatschappelijke organisaties – meedoen. Daarmee kun je in verschillende wijken gerichte ingrepen doen. Dat kunnen fysieke aanpassingen zijn, maar ook economische investeringen: ondernemers aantrekken, experimenten ondersteunen, leegstand tegengaan. Een stad wordt niet beter van projectjes van drie jaar. Een stad wordt beter van continuïteit, lange adem, durven investeren in zachte en harde waarde tegelijk.’