De Nederlandse stad bevindt zich op een kantelpunt. De druk op de ruimte neemt toe, terwijl opgaven rond wonen, mobiliteit, klimaat en sociale gelijkheid steeds sterker met elkaar verknoopt raken. In dat krachtenveld opereert Daan Zandbelt, partner bij De Zwarte Hond en voormalig Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving. Zandbelt staat bekend om zijn integrale benadering van stedelijke vraagstukken en zijn vermogen om abstracte systeemvragen te verbinden aan concrete plekken. In dit vraaggesprek reflecteert hij uitgebreid op de woonopgave, bestuurlijke verkokering en projecten waarin die bredere manier van denken tastbaar wordt, zoals het stationsgebied in Den Haag.
Hoe kijk jij op dit moment naar de woonopgave in Nederland?
‘De woningnood is zonder twijfel groot, maar ik denk dat we het probleem tekortdoen als we het alleen als een aantallenkwestie blijven benaderen. Wonen is wat mij betreft de enige grote opgave waarbij niet alleen publieke investeringen nodig zijn, maar ook de markt en de samenleving meedoen. Dat maakt het ingewikkeld, maar juist ook kansrijk. Het betekent dat woningbouw een hefboom kan zijn om meerdere maatschappelijke vraagstukken tegelijk aan te pakken. In mijn dagelijkse werk zie ik dat woningbouw kan bijdragen aan de energietransitie, klimaatadaptatie, sociale inclusie, kansengelijkheid en aan economische vernieuwing. Dat vraagt wel om een andere manier van denken dan we gewend zijn. Het is een complexer vak geworden, maar ook een veerkrachtiger vak. We hebben simpelweg niet de ruimte, het geld en de tijd om al die opgaven los van elkaar te blijven oplossen.’
We maken het probleem niet groot genoeg?
‘We hebben de neiging om ingewikkelde problemen op te knippen, in de hoop dat ze dan beheersbaar worden. Maar mijn ervaring is dat dat juist averechts werkt. Als je vastloopt, moet je het probleem groter maken. Door het te verbreden, kun je meer belangen, meer middelen en meer partijen verbinden. Ik gebruik vaak het voorbeeld van argumenten. Als je één goede reden hebt om een plan uit te voeren, dan is dat argument kwetsbaar. Wordt het onderuitgehaald, dan ligt alles stil. Als je tien goede redenen hebt – sociaal, economisch, ruimtelijk, ecologisch – dan kan er best eentje afvallen. Het plan blijft overeind. Dat maakt het diverser, veerkrachtiger en minder afhankelijk van één dominante invalshoek.’
Waar loopt die integrale aanpak volgens jou vast bij overheden?
‘Veel overheden zijn nog georganiseerd rond de problemen van honderd jaar geleden. Toen hadden we te maken met ongezonde steden, slechte woonomstandigheden en vervuiling. Functiescheiding was toen een logisch antwoord. Maar die manier van denken zit nu niet alleen in onze steden, hij zit ook diep in onze instituties, wetgeving en organisaties. We hebben aparte afdelingen voor wonen, economie, verkeer en milieu. Op rijksniveau komt daar de ministeriële verantwoordelijkheid bij, die samenwerking tussen ministeries eerder ontmoedigt dan stimuleert. Ambtenaren zijn dagelijks bezig om hun eigen minister uit de wind te houden. Dat is menselijk, maar het maakt integraal werken structureel moeilijk.’
Tegelijkertijd zie je in de praktijk dat het soms wél lukt. Hoe verklaar je dat?
‘In concrete projecten zie je dat mensen over die grenzen heen stappen, juist omdat het anders niet werkt. Binnenstedelijke projecten, stationsgebieden, transformaties van bedrijventerreinen: daar komen altijd meerdere agenda’s samen. Wonen, werken, mobiliteit, openbare ruimte en duurzaamheid. Je móét daar wel integraal werken, anders kom je geen stap verder. Het mooie is dat je ziet dat het dan ook lukt. Het duurt soms lang en kost energie, maar uiteindelijk worden plannen vastgesteld en gerealiseerd. Dat geeft hoop, want het laat zien dat het systeem niet onoverkomelijk is. Maar structureel blijft het taai.’
Je was zelf Rijksadviseur. Wat heb je daar vooral geleerd?
‘Als Rijksadviseur zie je heel scherp hoe groot de potentie is, maar ook hoe lastig het is om die potentie te benutten. Het Rijk is de grootste investeerder en heeft enorm veel invloed. Als daar echt integraal zou worden gehandeld, zou dat een enorme versnelling kunnen opleveren. Met Panorama Nederland (een visie op de toekomst van Nederland, red.) hebben we al laten zien dat de grote opgaven – wonen, energie, klimaat, landbouw en mobiliteit – alleen in samenhang zijn op te lossen. Die analyse wordt breed gedeeld. De uitdaging zit niet in het gebrek aan kennis, maar in de bereidheid om het systeem anders in te richten.’
Waarom pleit jij zo nadrukkelijk voor bouwen in de bestaande stad?
‘Omdat daar de meeste opgaven liggen. De mensen en de voorzieningen zijn er al en de infrastructuur ligt er al. Met de investeringsgolf van nieuwbouwwoningen kan je de bestaande steden en dorpen toekomstbestendig maken. Het is daarom maatschappelijk, economisch en ecologisch veel verstandiger om die plekken te versterken dan om steeds verder het landschap in te bouwen. Uitleglocaties lijken soms eenvoudig, maar zijn extreem duur en eenzijdig. Ze lossen de opgaven in onze steden niet op, maar maken ze juist erger.
Mobiliteit en ruimtegebruik spelen daarin een grote rol?
‘Absoluut. Wat mij altijd verbaast, is hoeveel ruimte stilstaande auto’s innemen. Dat is verreweg de grootste ruimtelijke claim in veel stedelijke gebieden. Terwijl die ruimte vaak maar een fractie van de tijd daadwerkelijk wordt gebruikt. Als je wonen, werken en voorzieningen dichter bij elkaar brengt en goede alternatieven biedt voor de auto, kun je parkeerplaatsen clusteren, verminderen of stapelen. Die ruimte kun je gebruiken voor woningen, groen of publieke voorzieningen. Dat vraagt om ontwerpkracht, maar vooral om een andere mentaliteit.’
Je ontwikkelde het metromix-principe om functiemenging te ordenen. Hoe werkt dat?
‘We zijn het mengen een beetje verleerd. Metromix is geen pleidooi voor alles overal, maar voor een heldere zonering op basis van tolerantie voor hinder. We onderscheiden drie zones: rust, reuring en ruis. In rustige zones overheerst wonen en groen, in ‘reuring’ is levendigheid onderdeel van de kwaliteit: voorzieningen, scholen en drukte en in ‘ruis’ is ruimte voor stedelijke productie, logistiek en andere intensievere functies, zonder dat wonen wordt uitgesloten. Dat geeft duidelijkheid aan bewoners, ondernemers en overheden.’
Kun je een concreet voorbeeld geven waar die aanpak werkt?
‘Een goed voorbeeld is het Central Innovation District in Den Haag, het gebied rond de stations Den Haag Centraal, Hollands Spoor en Laan van NOI. Dat is een enorm bestaand stedelijk gebied waar we hebben gekeken hoe we wonen, werken, voorzieningen en groen in samenhang kunnen creëren. Daar laten we zien dat je in een bestaand gebied tienduizenden woningen en arbeidsplaatsen kunt toevoegen, terwijl je tegelijkertijd investeert in openbare ruimte en groen. Dat lukt alleen als je het gebied als één geheel beschouwt en functies durft te mengen. Het stationsgebied fungeert daarbij als katalysator, omdat alles daar samenkomt.’
Waarom zijn stationsgebieden volgens jou zo belangrijk?
‘Stationsgebieden zijn knooppunten van bereikbaarheid. Iedereen kan er komen: vanuit de stad en vanuit het land, met trein, metro, bus, fiets of auto. Dat maakt ze ideaal voor intensieve stedelijke programma’s. Bovendien liggen ze vaak precies tussen de binnenstad en omliggende wijken. Door die zones goed te ontwikkelen, kun je het centrum van een stad feitelijk vergroten en versterken. Dat geldt niet alleen voor grote steden, maar ook voor middelgrote en kleinere plaatsen.’
Wat bedoel je met ‘denken buiten het bouwwerk’?
‘Dat je verder kijkt dan je eigen kavel of project. Een gebouw is nooit een doel op zich. Het moet bijdragen aan de toekomstbestendigheid van zijn omgeving, bestaande wijken en aan maatschappelijke opgaven. Woningbouw is een enorme investeringsmotor. Als je die slim inzet, kun je veel meer bereiken dan alleen nieuwe huizen. Maar dat vraagt om een integrale blik en om samenwerking over sectoren heen.’
Ben je optimistisch over de toekomst van de Nederlandse stad?
‘Voorzichtig optimistisch. Ik zie veel goede plannen, veel bevlogen professionals en ook daadwerkelijke bouwproductie. Tegelijkertijd moet het tempo omhoog en moet de samenhang beter. De oplossingen zijn er. Ze zijn alleen niet simpel. Als we bereid zijn om complexiteit te accepteren en integraal te werken, kunnen we echt stappen zetten richting een toekomstbestendige stad.’