De wooncrisis is al jaren een vast agendapunt in politiek en media. Er wordt gesproken over aantallen, tekorten, bouwambities en procedures. Maar achter die abstracte begrippen gaan levens schuil. Levens van mensen die willen beginnen, doorgroeien, samenwonen en plannen maken. Juist daar wringt het, ziet Joris Hoekstra, universitair hoofddocent Wonen aan TU Delft en gastprofessor aan de University of the Free State. Zijn onderzoek richt zich de laatste jaren steeds nadrukkelijker op jonge mensen en de manier waarop de wooncrisis hun levensloop raakt. ‘Dit is geen tijdelijk ongemak meer, maar een structureel probleem met diepe sociale gevolgen.’
Is woningnood voor jongeren echt zo anders dan vroeger?
‘Woningnood is van alle tijden, ook voor jongeren. Dat moeten we eerlijk zeggen. Het verschil zit ’m in de ernst én in het perspectief. De afgelopen tien à vijftien jaar is het probleem duidelijk verergerd. Koopprijzen zijn explosief gestegen, de sociale huursector is kleiner en ontoegankelijker geworden en de particuliere huursector is duur en onzeker. Vroeger was het vrij normaal om je wooncarrière te beginnen in een sociale huurwoning. Nu is dat voor veel jongeren praktisch onhaalbaar.’
Waar zie je dat concreet in terug?
‘In wachttijden, maar ook in levenskeuzes. Zelfs jongeren die formeel aan de inkomenseisen voor een sociale huurwoning voldoen, wachten zo lang dat ze tegen de tijd dat ze aan de beurt zijn alweer in een andere situatie zitten. Of ze hebben iets anders moeten regelen, of hun inkomen is gestegen en ze vallen alsnog buiten de boot. Wat mij vooral zorgen baart, is dat het perspectief op verbetering ontbreekt. Tijdens eerdere woningcrises werd er massaal gebouwd. Er was het gevoel: even doorbijten, straks komt het goed. Dat gevoel zie ik nu nauwelijks.’
Wat betekent dat voor jonge mensen zelf?
‘Veel jongeren zeggen letterlijk: mijn leven staat stil. Dat hoor je steeds opnieuw terug. Na de studententijd belanden ze in een soort wachtkamer. Ze kunnen geen zelfstandige woning vinden, durven geen relatie te verdiepen, stellen gezinsvorming uit en blijven noodgedwongen bij hun ouders wonen of in tijdelijke oplossingen hangen. Dat heeft gevolgen die veel verder gaan dan wonen alleen. Het raakt kansen op de arbeidsmarkt, mentale gezondheid, zelfstandigheid en toekomstvertrouwen.’
Geldt dit alleen voor studenten?
‘Nee, absoluut niet. Studenten hebben het al lastig, maar zij hebben vaak nog een relatief kortere wachttijd binnen studentenhuisvesting. Het echte probleem begint na ‘t afstuderen. Daarnaast is er een grote groep jongeren die niet studeert, maar werkt. Ook zij lopen vast. Het probleem is breed en raakt vrijwel alle jonge woningzoekenden, ongeacht opleidingsniveau.’
Je ziet ook allerlei creatieve oplossingen ontstaan. Is dat niet juist positief?
‘Creativiteit laat vooral zien hoe nijpend de situatie is. Jongeren delen woningen met vrienden, wonen antikraak, trekken in caravans of recreatiewoningen, of zoeken informele constructies die juridisch eigenlijk niet mogen. Dat zijn second best-oplossingen. Voor even kan het werken, maar het is geen stabiele basis voor een volwassen leven. De meeste mensen willen uiteindelijk gewoon een eigen, zekere plek om hun leven op te bouwen.’
Hoe verhoudt Nederland zich tot andere landen?
‘Dit is geen typisch Nederlands probleem. In vrijwel heel Europa zie je dezelfde patronen. De wooncrisis treft vooral de outsiders op de woningmarkt: mensen die nog geen woning hebben. Dat zijn vaak jongeren. Mensen die al gevestigd zijn, hebben het meestal relatief goed. Zij profiteren van waardestijgingen, fiscale voordelen en huurbescherming. De ongelijkheid tussen generaties neemt daardoor toe.’
Zie je internationaal inspirerende oplossingen?
‘Er zijn interessante lokale initiatieven. In delen van Spanje, bijvoorbeeld in Catalonië, krijgen jongeren woningen van lage kwaliteit tegen lage kosten, in ruil voor door de jongeren zelf renovatie uit te voeren. In Nederland zijn coöperatieve woonvormen en collectief wonen in opkomst. Dat zijn waardevolle initiatieven, maar ze blijven vooralsnog kleinschalig. Ze lossen het structurele probleem niet op.’
Wat ontbreekt er volgens jou in het beleid?
‘Specifieke aandacht voor jongeren. Er zijn doelstellingen voor ouderenhuisvesting, zorgwoningen en doorstroming, maar nauwelijks concrete doelen voor jongeren. Terwijl zij het vaak het zwaarst hebben, omdat ze überhaupt nog geen woning hebben. Het beleid blijft te veel hangen in generieke oplossingen, terwijl deze groep maatwerk nodig heeft.’
Is dat een kwestie van meer bouwen?
‘Meer bouwen is noodzakelijk, maar niet voldoende. We moeten kijken naar wie er toegang krijgt tot die nieuwe woningen. In de huidige woonruimteverdeling komen jongeren vaak als laatste aan bod. Doorstroming wordt beloond, toetreding niet. Je zou nieuwbouwwoningen explicieter kunnen toewijzen aan jonge woningzoekenden. Dat is een politieke keuze.’
Hoe kijk je naar de rol van de markt?
‘De particuliere huursector is lange tijd aan de markt overgelaten. Vervolgens is er stevig gereguleerd, wat begrijpelijk was vanuit het perspectief van betaalbaarheid. Maar nu zie je dat het aanbod snel terugloopt. Dat is ook geen oplossing. Je hebt een middenweg nodig: regulering én een investeringsklimaat waarin betaalbare huurwoningen rendabel kunnen worden gerealiseerd, zonder extreme winstmarges.’
Wat bedoel je daarmee?
‘In landen als Frankrijk zie je systemen waarbij spaargeld van burgers wordt ingezet in fondsen voor betaalbare huurwoningen, met een redelijk maar beperkt rendement. In Nederland staat enorm veel geld op spaarrekeningen. Als je dat kunt mobiliseren met maatschappelijk rendement, kun je veel betekenen voor het middensegment. Dat vraagt om slimme fiscale prikkels en langetermijnvisie.’
Is herverdeling tussen generaties onvermijdelijk?
‘De analyse is helder: op het gebied van wonen hebben oudere generaties het aanzienlijk beter dan jongere. Of je dat via directe herverdeling moet oplossen, is een politieke vraag. Maar je kunt wel degelijk keuzes maken. Denk aan het verder afbouwen van hypotheekrenteaftrek en het inzetten van die middelen voor gericht jongerenwoonbeleid. Dan maak je het systeem eerlijker zonder mensen plotseling te laten terugvallen.’
Zie je hoopvolle signalen?
‘Het is positief dat wonen weer hoog op de politieke agenda staat, ook Europees. De analyse wordt scherper. Maar tussen analyse en uitvoering zit vaak veel tijd. Jongeren hebben die tijd eigenlijk niet. Wat mij betreft is het cruciaal dat we hun stem structureel meenemen. Niet alleen praten óver jongeren, maar mét jongeren. Hun ervaringen laten zien dat dit geen abstract dossier is, maar een fundamentele vraag over kansen, rechtvaardigheid en toekomst.’
Wat staat er op het spel?
‘Meer dan een woningtekort. Als een hele generatie het gevoel krijgt dat vooruitkomen niet meer lukt, ondermijnt dat het sociale contract. Wonen is de basis van een zelfstandig leven. Als die basis ontbreekt, raakt dat de samenleving als geheel. Dat besef moet veel centraler komen te staan in het debat.’