Henk Visscher (1962) is hoogleraar Woningkwaliteit en Procesinnovatie aan de TU Delft. In zijn werk draait het om de vraag hoe woningen toekomstbestendig kunnen worden verbeterd, zonder de realiteit van bewoners, kosten en processen uit het oog te verliezen. We spreken hem over de transitie naar duurzame woningen en vooral over de vraag of het tempo hoog genoeg ligt.
De woningcrisis en verduurzaming lijken soms met elkaar te botsen. Hoe kijkt u daar tegenaan?
‘Het lijkt vaak alsof het twee gescheiden werelden zijn: aan de ene kant het enorme tekort aan woningen, aan de andere kant de energietransitie. Maar die tegenstelling is eigenlijk kunstmatig, want we moeten ons realiseren dat het grootste deel van de woningen van 2050 er vandaag al staat. Schattingen lopen uiteen, maar 70 tot 80 procent van die voorraad is er nu. Als we verduurzaming van bestaande woningen laten liggen, creëren we over twintig of dertig jaar een nieuw probleem. Goed onderhoud en toekomstbestendigheid zijn dus geen luxe, maar een noodzakelijke basis.’
Toch ligt de politieke focus sterk op nieuwbouw. Is dat begrijpelijk?
‘Het is begrijpelijk, want het tekort is zichtbaar en voelbaar. Mensen vinden geen woning, prijzen stijgen en wachttijden lopen op. Dat vraagt om directe actie. Maar nieuwbouw alleen is geen oplossing. Het merendeel van de energie- en klimaatdoelen moet worden gehaald in de bestaande voorraad. Als je die verwaarloost, krijg je woningen met hoge energielasten, gezondheidsproblemen en uiteindelijk maatschappelijke kosten die vele malen hoger zijn dan de investeringen die nu nodig zijn.’
U zegt vaak dat verduurzaming begint bij onderhoud. Wat bedoelt u daarmee?
‘Een woning die slecht wordt onderhouden, lekt energie, comfort en uiteindelijk waarde. Voordat je nadenkt over warmtepompen of nieuwe energiesystemen, moet de basis op orde zijn: isolatie, kierdichting, goede gevels en daken. Dat noemen we ook wel no-regret-maatregelen. Die zijn altijd zinvol, ongeacht welke energievoorziening je later kiest. Of je nu uitkomt bij stadsverwarming, een warmtepomp of een hybride oplossing: een goed geïsoleerde woning is de sleutel.’
Welke routes ziet u richting gasloze woningen?
‘In grote lijnen zijn er twee realistische opties. De eerste is duurzame collectieve warmte, zoals stadsverwarming of geothermie. Dat is vooral interessant voor oudere stadsdelen, waar je relatief weinig aan de woning zelf hoeft te veranderen. De tweede route is all-electric, met warmtepompen. Dat vraagt veel meer van de woning: zware isolatie, andere warmteafgiftesystemen zoals vloerverwarming en soms ook aanpassingen aan het elektriciteitsnet. Beide routes hebben hun plek, maar ze vragen om totaal verschillende investeringen en processen.’
Is het tempo van die transitie hoog genoeg?
‘Het eerlijke antwoord is: het kan altijd sneller. Maar het is ook te simpel om te zeggen dat er niets gebeurt. Woningcorporaties hebben duidelijke doelen, bijvoorbeeld het uitfaseren van de slechtste energielabels. Ze werken met isolatiestandaarden en lange termijnplannen. Ook voor particuliere woningen komt regelgeving die verduurzaming afdwingt. Tegelijkertijd blijft het complex: er zijn veel partijen betrokken, hoge investeringen en bewoners die in die woningen blijven wonen. Dat maakt versnellen lastig.’
Bewoners spelen dus een grote rol. Hoe neem je hen mee?
‘Dat is een cruciaal punt. In de bestaande voorraad wonen mensen die terecht zeggenschap hebben. Je kunt niet zomaar ingrijpen. Daarom doen wij veel onderzoek naar procesinnovatie: hoe organiseer je het zo dat bewoners vroeg worden betrokken, goed worden geïnformeerd en ontzorgd? Denk aan heldere keuzes, betrouwbare aanbieders en duidelijke financiering. Zonder draagvlak bij bewoners gaat het simpelweg niet gebeuren.’
Voor particuliere woningeigenaren lijkt verduurzaming vaak ingewikkeld. Herkent u dat?
‘Zeker. Voor iemand die zelf stappen wil zetten, is het een doolhof. Welke aannemer is betrouwbaar? Wat is een goede prijs? Wat moet eerst en wat kan later? Zeker bij ingrijpende maatregelen zoals isolatie of installaties haken mensen af. Daarom wordt veel gesproken over zogenaamde one-stop-shops: plekken waar bewoners terechtkunnen voor advies, uitvoering en financiering in één geïntegreerd aanbod. Dat verlaagt de drempel enorm.’
Hoe belangrijk zijn financiële prikkels in dit geheel?
‘Financiën zijn een enorme drijfveer. Dat zagen we tijdens de energiecrisis heel duidelijk. Toen energieprijzen explodeerden, gingen mensen massaal nadenken over isolatie en alternatieven. Dan kan het ineens snel gaan. Maar geld alleen is niet genoeg. Je hebt ook stabiliteit nodig in beleid. Als regels en subsidies telkens veranderen, durven bedrijven en bewoners niet te investeren. Die wispelturigheid is funest voor een transitie die decennia duurt.’
U doelt op wisselend overheidsbeleid?
‘Ja. Neem de hybride warmtepomp. Eerst werd gezegd: dit wordt verplicht bij vervanging van de cv-ketel. De markt reageerde, bedrijven investeerden. Vervolgens werd het weer teruggedraaid. Dan gaan partijen zich achter de oren krabben. Hoe lang blijft dit beleid staan? Voor een industrie die moet opschalen, is voorspelbaarheid essentieel. We moeten af van korte termijnpolitiek en werken vanuit een heldere, lange termijn koers.’
Zijn er inspirerende voorbeelden die laten zien dat het wel kan?
‘Zeker. In Delft is bijvoorbeeld een geothermiebron ontwikkeld die duurzame warmte levert aan gebouwen van de universiteit en straks ook aan omliggende woonwijken uit de jaren zeventig. Die wijken zijn al ingericht op collectieve warmte. Dan zie je hoe logisch het kan zijn: je benut lokale duurzame bronnen, beperkt ingrepen in woningen en verlaagt de CO₂-uitstoot aanzienlijk. Het heeft jaren geduurd om het businessmodel rond te krijgen, maar technisch en maatschappelijk is het een zeer sterke oplossing.’
Welke rol speelt Europa in deze ontwikkeling?
‘Een steeds grotere rol. Europese regelgeving dwingt landen om plannen te maken voor renovatie, het uitfaseren van slechte energielabels en het faciliteren van ondersteuning voor bewoners. Dat helpt, omdat het nationale politiek minder vrijblijvend maakt. Tegelijkertijd zie je dat de toon verschuift: betaalbaarheid en leveringszekerheid krijgen meer nadruk, maar de duurzaamheidsdoelen verdwijnen niet. Ze worden anders verpakt.’
Bent u optimistisch over de richting die we opgaan?
‘Voorzichtig optimistisch. Er gebeurt veel, er is kennis, er zijn technieken en er zijn programma’s. Wat nodig blijft, is consistente aandacht en beleid. Verduurzaming van woningen is misschien niet sexy, maar het is essentieel. Als we nu blijven investeren in kwaliteit, onderhoud en slimme processen, kunnen we grote stappen zetten. Niet alles hoeft morgen af, maar we moeten blijven doorzetten.’