Wie met Hans Karssenberg spreekt, merkt direct dat hij het niet alleen over stenen heeft. Als partner bij STIPO, senior projectmanager, publiek ontwikkelaar en placemaker beweegt hij zich al meer dan dertig jaar tussen beleid en praktijk en tussen ontwerp en gemeenschap. Sinds zijn afstuderen als planoloog aan de UvA in 1993 en de oprichting van STIPO in 1995 samen met Geer Koopmans, zoekt hij naar manieren om gebieden te maken die niet na veertig jaar worden afgeschreven, maar die generaties lang waardevol blijven. Projecten als Club Rhijnhuizen in Nieuwegein laten zien hoe coöperatief werken, co-creatie en duurzame gebiedstransformatie elkaar kunnen versterken.
Waar komt jouw fascinatie voor placemaking vandaan?
‘Eigenlijk uit onvrede. In de jaren negentig zagen we dat stadsontwikkeling vooral werd gedreven door de fysieke kolom. Gebouwen, kavels, vierkante meters en rendement. De openbare ruimte was vaak wat overbleef nadat de woonblokken waren ontworpen, terwijl juist die ruimte het dagelijkse leven draagt. Wij zijn toen gaan onderzoeken waarom sommige wijken al tweehonderd jaar functioneren en andere na veertig jaar worden gesloopt. Dat had zelden met architectonische stijl te maken. Het ging om mechanismen: een sterke openbare ruimte, menselijke maat, functiemenging en ruimte voor gebruikers invloed. Via Project for Public Spaces in New York kwam ik in aanraking met placemaking. Daar werd al decennialang gekeken naar de sociale gebruikskwaliteit van pleinen en straten. Niet alleen: hoe ziet het eruit? Maar vooral: wat gebeurt hier? Wie voelt zich hier thuis? Dat sloot naadloos aan bij onze zoektocht.’
Wat gaat er mis als sociale kwaliteit ontbreekt?
‘Dan krijg je prachtige ontwerpen waar niemand zich mee verbindt. Ik heb pleinen gezien met staalplaten als verwijzing naar het havenverleden. Conceptueel sterk, maar koud, glad en onaantrekkelijk. Niemand gaat op staal zitten als het regent. Het probleem zit dieper. De businesscase van gebiedsontwikkeling is vaak gericht op de ontwikkelfase, maar investeringen in sociale kwaliteit renderen pas in de gebruiksfase. Als je alleen woningen neerzet zonder voorzieningen, ontmoetingsplekken en werkfuncties, maak je kwetsbare mono-gebieden. Menging biedt flexibiliteit. Kijk naar buurten die begonnen als opslaggebied, daarna kantoren werden en later wonen toevoegden.’
Hoe ziet dat er in de praktijk uit?
‘Club Rhijnhuizen in Nieuwegein is daar een goed voorbeeld van. Tijdens de transformatie hebben we niet gewacht tot de eerste woningen klaar waren. We organiseerden een coöperatie waarin ontwikkelaars, eigenaren, ondernemers en bewoners samenwerkten. In plaats van klassieke inspraakavonden in het gemeentehuis – waar vooral onvrede klinkt – kozen we voor gezamenlijke diners, tijdelijke activiteiten en bijeenkomsten op bijzondere plekken in het gebied. Een vervallen huisje werd samen gesloopt en vervangen door een picknickplek. Klein gebaar, groot effect. Mensen zien zo dat hun ideeën direct worden omgezet in actie en dat versterkt betrokkenheid en vertrouwen. Het heeft in Rijnhuizen bijgedragen aan een enorme versnelling van de woningbouw. De gemeente dacht in het begin dat er misschien na 20 jaar 800 woningen in het gebied zouden zijn; het werden 2.500 woningen na 5 jaar.’
We bouwen nu in hoog tempo in Nederland. Is er ruimte voor deze aanpak?
‘Juist nu is het noodzakelijk. We bouwen in hoge dichtheden, met veel kleine appartementen voor een- en tweepersoonshuishoudens. Onderzoek laat zien dat hoe hoger je woont, hoe minder verbonden je bent met de straat en de eenzaamheid neemt toe. Dat vraagt om ontmoetingsplekken, voorzieningen op loopafstand en actieve plinten. Zorg dat mensen binnen vijf à tien minuten hun dagelijkse functies bereiken. Meng wonen met werken. Programmeer de begane grond niet alleen met de hoogste bieder. Ik zie dat het bewustzijn groeit en gemeenten vragen hier nadrukkelijker om. Ontwikkelaars beseffen dat een gebied met sterke sociale infrastructuur waardevaster is, maar het gebeurt niet vanzelf. Je moet het expliciet organiseren en borgen.’
Wat vraagt deze manier van werken van bestuurders en ontwikkelaars?
‘Het vraagt lef en lange adem. Je moet bereid zijn om niet alleen te sturen op de spreadsheet, maar ook op maatschappelijke waarde. Dat betekent dat je in een vroeg stadium ruimte maakt voor ontmoeting, programmering en community building, ook als dat niet direct in euro’s is terug te rekenen.’ Bestuurders moeten durven kiezen voor kwaliteit op ooghoogte en niet alleen voor aantallen. Natuurlijk moeten we veel woningen bouwen, maar de vraag is: bouwen we stapels stenen of bouwen we buurten? Dat is een fundamenteel verschil. Voor ontwikkelaars betekent het dat je verder kijkt dan de oplevering. Dat je nadenkt over beheer, over wie er straks verantwoordelijk is voor de levendigheid in de plint, over hoe je een gebied aantrekkelijk houdt als de eerste bewoners er eenmaal zitten. Dat vraagt samenwerking tussen publieke en private partijen, maar ook een andere houding: meer partnerschap, minder tegenover elkaar staan. En misschien nog wel het belangrijkste: je moet vertrouwen hebben in de kracht van bewoners en gebruikers. Als je hen vanaf het begin serieus betrekt, ontstaan er ideeën en energie die je zelf nooit had kunnen bedenken. Dan wordt gebiedsontwikkeling geen lineair proces, maar een gezamenlijke reis. En juist daarin zit de duurzaamheid.’
Wat is er nodig voor wijken die tweehonderd jaar meegaan?
‘Allereerst het besef dat een gebied nooit af is. Je bouwt niet alleen goed, je moet ook goed houden. Dat betekent investeren in community building en organisatie, ook ná oplevering. We pleiten daarom voor een andere manier van rekenen. Veel investeringen in sociale kwaliteit verdient zich terug in lagere zorgkosten, minder werkloosheid en hogere vastgoedwaarde. Maar die baten vallen in een andere kolom dan de initiële investering. We moeten van een korte grondexploitatie naar een lange-termijngebiedsexploitatie. Als je kijkt naar zestig jaar in plaats van twintig, wordt het logisch om te investeren in gezonde, inclusieve wijken.’
Wat drijft jou persoonlijk?
‘Ik vind het fascinerend om te zien hoe plekken tot leven komen. Hoe een leeg terrein verandert in een gemeenschap. Dat moment waarop mensen elkaar leren kennen en trots worden op hun buurt, daar doe ik het voor. Het is geen romantiek, maar organiseren, rekenen, verbinden. Maar uiteindelijk gaat het om iets eenvoudigs: mensen willen zich thuis voelen. Placemaking is voor mij geen trend, maar een houding. Je begint niet met een ontwerp, maar met de vraag: wie zijn hier straks de gebruikers? Als je dat serieus neemt, volgen de stenen vanzelf. Echte duurzaamheid zit niet alleen in materialen of energieprestaties, maar in het vermogen van een gebied om zich door de tijd heen aan te passen. Als dat lukt, heb je iets gemaakt dat generaties meegaat.’