08 apr 2026 - Redactie VG Visie

´Steden mogen wat mij betreft meer zelfvertrouwen hebben in hun rol´

In veel Nederlandse steden is de kloof tussen wijken voelbaar: plekken waar kansen zich opstapelen tegenover buurten waar achterstanden zich hardnekkig manifesteren. In Groningen wordt die tegenstelling actief aangepakt met een brede en ambitieuze wijkvernieuwing. Aan het roer van het ruimtelijke deel van die opgave staat Endry van Velzen, partner bij De Nijl Architecten en sinds 2022 bouwmeester wijkvernieuwing. 

Van Velzen werkt één dag per week voor de gemeente, gebundeld in intensieve tweedaagse bezoeken, en beweegt zich tussen bestuur, corporaties, ontwerpers en projectleiders. Zijn opdracht is helder en tegelijk complex: zorgen dat de vele losse projecten in kwetsbare wijken samen optellen tot een betekenisvolle en duurzame verbetering van de stad als geheel. Daarbij draait het niet alleen om stenen, maar juist om de wisselwerking tussen sociale en fysieke ingrepen. In een stad waar ongeveer een derde van het grondgebied onder wijkvernieuwing valt, vraagt dat om een scherpe visie én een cultuur van samenwerking.

Wat houdt jouw rol als bouwmeester wijkvernieuwing in en hoe ben je daarin terechtgekomen?

‘Groningen heeft een lange traditie van stadsbouwmeesters. Toen ik werd gevraagd, was er behoefte aan iemand die zich specifiek zou richten op de wijkvernieuwing, omdat die opgave zo groot is. Ongeveer een derde van de stad valt onder verschillende programma’s, zoals het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Dat vraagt om focus. Ik ben daar ingerold omdat ik al eerder in Groningen had gewerkt – in de tijd van de stedelijke vernieuwing –  en blijkbaar was dat blijven hangen. Vanuit mijn achtergrond als architect en stedenbouwkundige werk ik al zo’n dertig jaar aan binnenstedelijke opgaven.’

Je werkt maar een beperkt aantal dagen per week in Groningen. Hoe effectief is dat?

‘Juist die beperking helpt. Ik werk in een vast ritme van twee dagen per twee weken. Daardoor ontstaat focus: mensen zorgen dat zaken klaarstaan en je hebt echt de tijd om gesprekken goed te voeren. Mijn rol is om – gevraagd en ongevraagd – advies te geven over ruimtelijke kwaliteit, maar in de praktijk betekent dat vooral dat ik zo vroeg mogelijk betrokken wil zijn. Niet alleen toetsen dus, maar meedenken vanaf het begin: bij het formuleren van de opgave, het selecteren van ontwerpers en het organiseren van samenwerking.’

Waar begin je als je instapt in zo’n complexe opgave?

‘Je stapt eigenlijk in een rijdende trein. Er zijn al programma’s, projecten en plannen. Wat ik voor mezelf heb geformuleerd, is dat de stad in feite “breien met projecten” is. Die projecten zijn er altijd en de kunst is om ze boven zichzelf uit te tillen. Dat doe je door ze te verbinden aan een bredere strategie. Niet elk project op zichzelf bekijken, maar steeds de vraag stellen: hoe draagt dit bij aan de stad als geheel?’

Wat is daarin jouw belangrijkste uitgangspunt?

‘Een van de belangrijkste dingen vind ik dat wijkvernieuwing niet losstaat van stadsontwikkeling. Die twee worden vaak gescheiden, maar dat is een gemiste kans. Sommige wijken liggen strategisch ten opzichte van de binnenstad. Wat je daar doet, kan ook de stad als geheel versterken. Dus het gaat niet alleen om het verbeteren van een wijk, maar ook om hoe die wijk een rol kan spelen in het grotere geheel. Bijvoorbeeld door stedelijke voorzieningen daar een plek te geven.’

Waarom zijn die zo cruciaal?

‘Omdat daar de sociale en fysieke opgave samenkomen. Er is vaak een neiging om te denken: we lossen problemen op door andere bewoners aan te trekken, bijvoorbeeld door duurdere woningen te bouwen. Maar dat is niet voldoende. Voorzieningen – buurthuizen, bibliotheken, sportplekken – vormen een sociale infrastructuur. Het zijn plekken waar mensen elkaar ontmoeten, waar vertrouwen kan groeien. Zeker in wijken waar wantrouwen richting overheid en instellingen bestaat, is zichtbaarheid en nabijheid van die voorzieningen essentieel.’

Dat klinkt als een ingewikkelde puzzel.

‘Dat is het ook. Want voorzieningen gaan niet alleen over gebouwen, maar ook over programmering en beheer. Wie zorgt ervoor dat het werkt? Wie organiseert activiteiten? En binnen de gemeente zijn dat vaak verschillende afdelingen. Dus je moet niet alleen ruimtelijk denken, maar ook organisatorisch. Dat maakt het complex, maar ook interessant.’

Hoe zie jij jouw rol daarin?

‘Ik organiseer het niet zelf, maar ik kan wel aanjagen, verbinden en richting geven. Ik schuif op verschillende niveaus aan: bij bestuurders, directies, maar ook bij ontwerpers en projectleiders. Daardoor kun je dingen in beweging krijgen. Ik vergelijk mezelf weleens met een diplomaat. Je probeert overal net de juiste verbindingen te leggen, een beetje uit te lijnen, en een koers te helpen formuleren.’

Kun je een concreet voorbeeld geven van zo’n aanpak?

‘Een voorbeeld is de vernieuwing van een straat waar sloop en nieuwbouw plaatsvinden. Dat was een karakteristiek gebied met cultuurhistorische waarde. Door daar vroeg in het proces scherp te formuleren wat de opgave is, en door een goede architect te selecteren, kun je ervoor zorgen dat die kwaliteit behouden blijft en zelfs versterkt wordt. Een ander voorbeeld is de vernieuwing van winkelcentrum Paddepoel. Dat is een groot en complex project met veel partijen. Daar probeer ik te zorgen dat architectuur, openbare ruimte en programmering goed op elkaar aansluiten.’

Wat maakt werken in Groningen bijzonder?

‘Er is een sterke traditie van stadsontwikkeling en een groot zelfbewustzijn. De gemeente neemt verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld met een eigen warmtebedrijf. Dat biedt kansen om opgaven te koppelen. Als je een warmtenet aanlegt, gaan de straten open. Dat kun je gebruiken om meteen de openbare ruimte te verbeteren, te vergroenen en in contact te komen met bewoners. Zo verbind je technische, ruimtelijke en sociale opgaven.’

Zie je dat als een voorbeeld voor andere steden?

‘Ja, zeker. Ik geloof sterk in het schaalniveau van de stad. Daar kun je beleid en uitvoering echt aan elkaar koppelen. Op rijksniveau blijft het vaak abstract, maar in een stad kun je concreet handelen. Steden mogen wat mij betreft meer zelfvertrouwen hebben in hun rol. Niet alles overlaten aan de markt, maar zelf richting geven – wel in samenwerking met andere partijen.’

Hoe ziet die ideale rol van de gemeente er volgens jou uit?

‘De gemeente moet kaders stellen, lijnen uitzetten en samenhang bewaken. Maar wel met besef van de rol van anderen. Corporaties en marktpartijen hebben hun eigen logica en kennis. Het gaat erom dat iedereen zijn rol goed pakt en dat de gemeente intern ook goed georganiseerd is. Vaak is het probleem dat verschillende afdelingen langs elkaar heen werken. Als je dat weet uit te lijnen, word je als gemeente veel krachtiger.’

Wat hoop je bereikt te hebben aan het einde van je termijn?

‘Natuurlijk hoop ik dat mensen prettig wonen in die wijken. Maar voor mij gaat het nog meer om de cultuur. Dat we een manier van samenwerken ontwikkelen waarin we gezamenlijk bouwen aan de stad. Dat noem ik bouwcultuur. Als ik daaraan kan bijdragen – dat gemeente, corporaties en andere partijen elkaar beter weten te vinden en samen kwaliteit maken – dan is mijn missie geslaagd.’

All rights reserved © 2026 Young Media