Wat begint als een spontaan initiatief van een groep vrienden, groeit in Den Bosch uit tot een vernieuwend woonproject met maatschappelijke betekenis. In wooncoöperatie Boschgaard komen idealisme, doorzettingsvermogen en praktische samenwerking samen. Bewoner Meindert de Vries vertelt hoe een gekraakt buurthuis transformeerde tot sociale huurwoningen met een wijkfunctie en hoe dat proces allesbehalve vanzelf ging.
‘Het begon eigenlijk zonder groot masterplan. In 2006 stond dit buurthuis al een tijd leeg en wij waren met een groep mensen die ruimte zochten om te wonen, maar ook om te werken en kunst te maken. Iemand tipte ons dat het pand leeg kwam en toen hebben we het gekraakt vanuit een soort: laten we kijken wat er kan. In die eerste periode was het vooral pionieren, we waren bezig met dingen maken, samen klussen, een plek creëren waar iets gebeurde en dat trekt vanzelf mensen aan. De buurt begon langs te komen, er ontstond interactie. Zonder dat we het expliciet zo hadden bedacht, groeide het uit tot een plek waar meer gebeurde dan alleen wonen. Dat was eigenlijk het begin van Boschgaard, al heette het toen nog niet zo.’
‘Vrij snel kwam het besef dat wat we aan het doen waren niet tijdelijk moest zijn. Kraken is per definitie eindig. Je kunt geen toekomst opbouwen als je elk moment weg kunt moeten. Tegelijk zagen we dat wat hier ontstond – die sociale dynamiek – waarde had voor de buurt. Dus we gingen nadenken: hoe kunnen we dit bestendigen? Kunnen we hier wonen combineren met een sociale functie? Het idee ontstond om niet alleen woningen te maken, maar ook een plek voor de wijk. Dat zat vanaf dat moment echt in het DNA van het plan.’
‘In het begin was dat gemengd. Je moet niet vergeten: het stond leeg, er was overlast, jongeren hadden geen plek. Dus er was ook wantrouwen. Wat hielp, was dat we de buurt actief betrokken. We zijn bijvoorbeeld begonnen met een gezamenlijke tuin. Gewoon: stuk grond omspitten, briefjes door de bus, kijken wie mee wilde doen en dat werkte verrassend goed. Mensen kwamen langs, kinderen begonnen mee te helpen. Ineens was het geen afgesloten plek meer, maar iets van de buurt. Dat soort kleine initiatieven maakte het verschil. Je bouwt vertrouwen niet met plannen op papier, maar door dingen samen te doen.’
‘Dat was pas na een lange zoektocht. We hebben eerst geprobeerd het pand zelf te kopen als vereniging, maar dat bleek financieel niet haalbaar en ondertussen bleef de onzekerheid bestaan. Via allerlei omwegen zijn we uiteindelijk in gesprek gekomen met de woningcorporatie. Dat ging niet vanzelf. We stonden eigenlijk tegenover elkaar: zij vanuit systemen en regels, wij vanuit idealen en praktijkervaring. Maar op een gegeven moment ontdekten we dat we inhoudelijk dichter bij elkaar zaten dan gedacht. Zij wilden ook meer zeggenschap voor bewoners, wij wilden dat ook. Dat werd de basis voor samenwerking.’
‘Het was echt een proces van botsen en weer bij elkaar komen. In het begin begrepen we elkaar gewoon niet. Wij dachten: waarom doen ze zo moeilijk? En zij dachten waarschijnlijk hetzelfde over ons. De doorbraak kwam toen we ons plan heel concreet maakten. We hebben een uitgebreid document geschreven met hoe we het voor ons zagen: financieel, sociaal, technisch en toen werd het tastbaar. Vanaf dat moment ontstond er respect. Niet dat alles ineens soepel ging, maar er was wel een gezamenlijke basis om verder te bouwen.’
‘Het belangrijkste verschil is dat we het echt samen doen. We huren collectief en hebben zelf zeggenschap over wie hier komt wonen en hoe we het beheer organiseren. Dat betekent ook dat iedereen verantwoordelijkheid heeft. Je woont hier niet passief, maar draagt bij aan het onderhoud, je zit in werkgroepen, je denkt mee over beslissingen. Dat maakt het intensiever dan ‘gewoon huren’, maar ook veel rijker. Je bent niet alleen bewoner, maar mede-eigenaar van het proces.’
‘Iedereen heeft een rol. Dat kan van alles zijn: van tuinonderhoud tot financiën, van technische klussen tot sociale activiteiten. Daarnaast hebben we maandelijkse vergaderingen. Die zijn verplicht, omdat je anders het collectief niet draaiende houdt. We proberen ze wel zo efficiënt mogelijk te maken. Het is continu zoeken naar balans, je wil ruimte laten voor individuele vrijheid, maar het collectief moet ook functioneren. Dat vraagt inzet van iedereen.’
‘Ja, absoluut. Dat was het romantische beginbeeld: samen met je vrienden iets opbouwen en dat is ook een sterke motivatie geweest. Maar de realiteit is dat zo’n proces lang duurt. Jaren. In die tijd veranderen levens: mensen krijgen andere banen, relaties, kinderen en dan vallen er mensen af. Van de oorspronkelijke groep zijn er nog maar een paar over. Dat is soms jammer, maar ook logisch. Het project groeit uiteindelijk verder dan de mensen die het begonnen zijn.’
‘Heel zwaar. We hebben bewust gekozen om veel zelf te doen en met hergebruikte materialen te werken. Dat betekent dat je niet alleen bouwt, maar ook alles organiseert: logistiek, planning en materiaalbewerking. In de praktijk kwam het neer op ongeveer twee dagen per week inzet per persoon. Dat is naast werk en privéleven. Vooral voor gezinnen was dat moeilijk vol te houden. We hebben gemerkt dat daar veel mensen zijn afgehaakt en dat is misschien wel een van de grootste uitdagingen geweest.’
‘Ontzettend veel. Je leert niet alleen praktische vaardigheden, maar ook hoe je samenwerkt, hoe je beslissingen neemt en omgaat met conflicten. Daarnaast krijg je een heel andere relatie met je woning. Je hebt letterlijk meegebouwd en dat geeft een gevoel van eigenaarschap dat je normaal niet hebt. En misschien nog belangrijker: je ervaart dat je zelf dingen kunt veranderen. Dat je niet afhankelijk bent van systemen, maar zelf invloed kunt uitoefenen.’
‘De grootste uitdaging zat in de samenwerking tussen verschillende werelden. Wij als bewoners, de woningcorporatie, de gemeente…iedereen heeft zijn eigen logica. Bijvoorbeeld financiën: zij werken met modellen en systemen die voor ons niet te volgen waren en dat leidde tot frustratie. De oplossing was niet om alles te begrijpen, maar om inzicht te krijgen in elkaars impact. Wat betekent een keuze voor jou, wat betekent het voor mij? Dat hielp enorm.’
‘Veel. Geduld is misschien wel het belangrijkste. Het duurt lang en het gaat nooit in een rechte lijn. Daarnaast moet je kunnen omgaan met teleurstellingen. Mensen haken af, plannen veranderen, dingen lopen anders dan gedacht en je moet blijven investeren in het menselijke aspect. Niet alles via berichten regelen, maar elkaar blijven spreken, blijven begrijpen. Dat is essentieel.’
‘Een cruciale rol. We hebben de buurt vanaf het begin betrokken. Niet alleen informeren, maar echt vragen: wat willen jullie hier zien? Dat zorgde voor draagvlak en dat heb je nodig, zeker in trajecten met vergunningen en veranderingen. Het is uiteindelijk ook hún buurt. Als zij erachter staan, maakt dat alles makkelijker.’
‘Niet één op één. Wat wij hebben gedaan vraagt een specifieke groep mensen met tijd, energie en motivatie. Maar veel elementen zijn wel degelijk herhaalbaar. Collectief beheer, samenwerking met corporaties en hergebruik van materialen..dat kan op grotere schaal. Alleen moet het systeem dan wel meebewegen. Nu is het nog te ingewikkeld.’
‘Vooral in regelgeving en financiële prikkels. Hergebruik wordt nog onvoldoende gestimuleerd, terwijl het veel oplevert. Als je arbeid goedkoper maakt en hergebruik aantrekkelijker, wordt dit soort bouwen vanzelf interessanter. De kennis en materialen zijn er al, maar het gaat nu om de randvoorwaarden.’
‘Ja, maar alleen als de groep klopt. Dat is echt de sleutel. Het is intensief, soms frustrerend, maar ook ongelooflijk waardevol. Je bouwt niet alleen een gebouw, maar ook een gemeenschap en dat maakt het uiteindelijk de moeite waard.’