02 feb 2026 - Redactie VG Visie

‘Amsterdam is in rap tempo veranderd in een stad die schoon, netjes en efficiënt wil zijn’

Amsterdam wordt in zijn ogen steeds gladder, strakker en voorspelbaarder. In zijn werk onderzoekt René Boer wat die ontwikkeling betekent voor de stad en haar bewoners. In dit gesprek deelt hij zijn kritiek op de ‘aangeharkte’ metropool én zijn ideeën voor een opener, poreuzer Amsterdam.

Je schreef het boek Smooth City, waarin je kritisch bent op het gladde karakter van hedendaagse steden. Wat zie jij daarvan terug in Amsterdam?

‘Heel veel. Amsterdam is in rap tempo veranderd in een stad die schoon, netjes en efficiënt wil zijn. Alles lijkt ontworpen om zo weinig mogelijk frictie toe te laten. In de openbare ruimte zie je dat bijvoorbeeld terug in het Puccini-beleid: natuursteen, vaste bankjes, nette hekjes, fietsnietjes keurig op hun plek. Op papier klopt het allemaal. Maar het resultaat is vaak een stad die benauwd en saai aanvoelt, waarin weinig ruimte is voor mensen om zelf iets toe te eigenen of samen iets te laten ontstaan.’

Waar komt die drang naar gladheid volgens jou vandaan?

‘Die zit diep. Het heeft te maken met een economisch systeem waarin de stad steeds meer wordt gezien als een verdienmodel. Elke vierkante meter moet renderen. Dat geldt voor vastgoed, maar net zo goed voor parken en pleinen die worden afgezet voor festivals. Dat levert geld op, maar sluit ook veel mensen uit. Tegelijkertijd is het een bredere culturele omslag. Sinds de jaren negentig is efficiëntie een soort morele norm geworden; alles moet optimaal functioneren, zonder haperingen.’

Je beschrijft het als een culturele verandering, niet alleen als een ruimtelijke. Kun je dat toelichten?

‘Kijk naar technologie. Vroeger had je apparaten die je kon openmaken, repareren, begrijpen. Nu zijn ze glad, gesloten, perfect vormgegeven. Dat heeft invloed op hoe we naar de wereld kijken. We verwachten dat alles werkt als een app: snel, voorspelbaar, zonder gedoe en die verwachting projecteren we ook op de stad. Frictie, complexiteit en verschil worden dan al snel als storend ervaren, terwijl dat juist essentiële eigenschappen van een levende stad zijn.’

Wat gaat er verloren als die frictie verdwijnt?

‘Dan verdwijnt de mogelijkheid tot toeval, ontmoeting en emancipatie. De stad wordt een decor in plaats van een proces. Een plek waar je consumeert, niet waar je mede-eigenaar van bent. Terwijl steden historisch juist plekken zijn waar nieuwe ideeën ontstaan, waar conflicten worden uitgevochten, waar mensen die niet op elkaar lijken elkaar tegenkomen. Als je dat gladstrijkt, haal je de zuurstof eruit.’

Toch hoor je vaak het argument dat een nette, veilige stad ook veel oplevert. Hoe kijk jij daarnaar?

‘Ik pleit absoluut niet voor een romantisering van verloedering of onveiligheid. Dat is een karikatuur die vaak wordt gebruikt om kritiek te neutraliseren. Het gaat mij niet om chaos versus orde, maar om verschillende vormen van orde. Een stad kan georganiseerd zijn en toch open. Het probleem is dat we nu één dominante orde hebben, die weinig ruimte laat voor andere waarden dan efficiëntie en rendement.’

Voor welke stad pleit jij?

‘Een poreuze stad is een stad met openingen, dus niet alles is dichtgetimmerd of vooraf bepaald. Je kunt ergens binnenlopen zonder dat je precies weet wat er gaat gebeuren. Er zijn plekken waar iets kan groeien wat niet vooraf is bedacht. Dat kan sociaal zijn, cultureel, ecologisch. Denk aan gebouwen met publieke ruimtes, gevels waar ook vogels en planten een plek krijgen, of gebieden waar tijdelijk iets mag ontstaan zonder direct een businesscase.’

Zie je in Amsterdam voorbeelden die hoop geven?

‘Zeker. Wooncorporaties zijn een interessant voorbeeld. Daar zie je andere economische modellen, gebaseerd op collectiviteit in plaats van maximale winst. Wat ik mooi vind, is dat veel van die projecten zich ook openstellen voor de stad, met gedeelde ruimtes en een lage drempel. Dat creëert een ander soort stedelijkheid. Ook initiatieven waar kunstenaars, makers en bewoners samen ruimte claimen en beheren laten zien dat het anders kan.’

Maar hoe schaalbaar is dat, in een stad waar de druk zo hoog is?

‘Het is ongelooflijk moeilijk, dat moet je niet onderschatten. De krachten van kapitaal en markt zijn enorm en tegelijkertijd zijn er altijd breuklijnen. Soms zit het in slimme onderhandelingen, soms in gerichte publieke investeringen. Je hoeft niet de hele stad om te gooien. Eén strategische plek kan al veel losmaken. Het gaat erom dat je als overheid, ontwikkelaar of ontwerper bereid bent om ruimte te laten voor iets wat je niet volledig controleert.’

Welke rol zie je daarbij voor professionals als architecten, ambtenaren en ontwikkelaars?

‘Die hebben een cruciale rol. Vanuit hun positie zijn ze vaak geneigd om orde te scheppen en te handhaven. Dat is ook logisch. Maar de vraag is: waar kun je juist orde loslaten? Waar kun je bewust ruimte maken voor het onverwachte? Dat vraagt om een ander soort professionaliteit. Misschien wel om nieuwe rollen, zoals een soort urban curator: iemand die verschillende belangen verbindt en ook niet-economische waarden verdedigt.’

En bewoners zelf?

‘Die zijn minstens zo belangrijk. Een stad maak je niet alleen met beleid en projecten, maar ook met dagelijkse handelingen. Een buurt die samen een plein beheert, een tijdelijke invulling organiseert of simpelweg de ruimte anders gebruikt dan bedoeld. Dat zijn kleine ingrepen, maar ze veranderen wel de relatie tussen mensen en hun omgeving. Je wordt geen consument van de stad, maar mede-maker.’

Je bent medeoprichter van Loom en betrokken bij Failed Architecture. Hoe vertaal je deze ideeën naar je eigen praktijk?

‘Met Loom werken we aan grotere transformaties, vaak op het snijvlak van cultuur, landschap en stad. We onderzoeken wat kunst en cultuur kunnen betekenen in die processen. Op de Wallen werken we samen met stadsdeel Centrum aan een project rond onderbenutte kavels. We zagen dat veel panden daar maar één laag hoog zijn, terwijl vier of vijf lagen historisch gebruikelijk zijn. Die ontbrekende verdiepingen bieden ruimte voor zo’n honderd betaalbare woningen. Samen met jonge architecten en pandeigenaren onderzoeken we hoe je die lagen kunt toevoegen, zonder de binnenstad te reduceren tot museum of toeristisch decor, maar juist als levende stad voor nieuwe generaties.’

Wat bedoel je daarmee?

‘Amsterdam is altijd in beweging geweest. Elke generatie heeft sporen nagelaten in architectuur, gebruik en betekenis. De afgelopen decennia zijn we erfgoed steeds krampachtiger gaan beschermen, alsof alles precies zo moet blijven. Maar daarmee ontzeg je nieuwe generaties het recht om ook iets toe te voegen. Over honderd jaar moet je kunnen zien wat wij belangrijk vonden, niet alleen wat er in de zeventiende eeuw gebeurde.’

Ben je pessimistisch of hoopvol over de toekomst van Amsterdam?

‘Beide. De krachten die leiden tot de Smooth City zijn sterk en wijdverbreid. Maar ik zie ook veel energie, creativiteit en verzet. Zolang mensen blijven zoeken naar andere manieren van samenleven en ruimte maken, is er hoop. De stad is nooit af. Dat is precies haar kracht.’

All rights reserved © 2026 Young Media