Dirk de Jager is een geboren en getogen Amsterdammer. Al decennialang is hij betrokken bij GroenLinks Amsterdam, eerst als activist, later als bestuurder. Tussen 2002 en 2022 was hij stadsdeelbestuurder in achtereenvolgens Westerpark, West en Zuidoost. Recent vervulde hij tijdelijk de rol van tijdelijk wethouder volkshuisvesting. In al die jaren hield één vraag hem voortdurend bezig: voor wie bouwen we de stad eigenlijk? In een uitgebreid vraag-antwoord gesprek reflecteert De Jager op wonen, macht, markt en menselijkheid in Amsterdam en op zijn eigen rol daarin.
‘Voor mij begint het altijd bij de mensen. Dat klinkt misschien als een open deur, maar in de praktijk gebeurt het vaak anders. We starten vaak met stenen, ontwerpen en maquettes en pas daarna vragen we ons af wie er eigenlijk moet wonen en leven. Terwijl het precies andersom zou moeten zijn. De stad is geen architectonisch kunstwerk, maar een leefomgeving. Wonen gaat over veiligheid, over betaalbaarheid, over perspectief. En pas daarna over vorm.’
‘Ik heb grote waardering voor architecten en stedenbouwkundigen, laat dat duidelijk zijn. Grote denkers zijn essentieel voor een stad. Maar soms zie je dat persoonlijke visies en dromen te veel leidend worden. Dan ontstaat er iets wat op papier prachtig is, maar in het dagelijks leven niet werkt. Een stad moet gebruikt worden. Door gezinnen, door ouderen, door jongeren, door mensen met verschillende inkomens en achtergronden. Als je dat uit het oog verliest, krijg je vervreemding.’
‘Een cruciale rol. De overheid moet het tegenwicht organiseren. De markt kijkt – dat is begrijpelijk – naar rendement, naar snelheid en naar risico’s. Dat is hoe we het in ons huidige systeem hebben georganiseerd, dat is hun rol binnen dit systeem. Maar juist daarom moet de overheid kaders stellen. Wat voor stad willen we zijn? Welke waarden zijn niet onderhandelbaar? Binnen die kaders kan de markt prima opereren, maar zonder die begrenzing gaat geld de boventoon voeren.’
‘Ik geloof niet in simpele schema’s, want elke situatie is anders. Maar in de kern gaat het om een driehoek, of eigenlijk een vierhoek. Bewoners, overheid, marktpartijen en in sommige gevallen woningcorporaties of coöperaties. Al die partijen hebben hun eigen belangen en kwaliteiten. De kunst is om die vanaf het begin zichtbaar te maken en serieus te nemen. Niet pas aan het eind, wanneer de plannen al vastliggen.’
‘Ja, meerdere zelfs. Neem de Staatsliedenbuurt en de Spaarndammerbuurt in West. Eind jaren negentig was daar sprake van groot achterstallig onderhoud, sociale problemen en een slechte openbare ruimte. Corporaties kregen ruimte om een deel van hun bezit te verkopen, met als voorwaarde dat alle woningen werden opgeknapt. De gemeente investeerde in de openbare ruimte en voorzieningen en bewoners waren actief betrokken. Dat integrale samenspel heeft geleid tot sterke, gemengde buurten met een hoge leefkwaliteit.’
‘Dat is deels waar, maar je moet kijken naar het geheel. Er is nog steeds een substantieel deel sociale huur. We hebben destijds helaas niet voorzien dat de waarde van vastgoed zo enorm zou stijgen en geen voorziening voor het middensegment opgenomen. De woningen zijn kwalitatief beter, de openbare ruimte is veiliger en aantrekkelijker. Natuurlijk stijgt dan de waarde. Dat is ook precies waarom je aan de voorkant goede afspraken moet maken over betaalbaarheid en menging. Gentrificatie is geen natuurwet, het is een gevolg van keuzes.’
‘Zuidoost heeft me veel geleerd. In de K-buurt bijvoorbeeld lag een oud plan uit de jaren negentig, dat na de crisis was blijven liggen. Toen we het opnieuw oppakten, hebben we gezegd: we beginnen niet bij het ontwerp, maar bij de vraag wat de buurt nodig heeft. Bewoners, veelal mensen met een migratieachtergrond, voelden zich eerder niet gehoord. Zij hebben zelfs een participatiestaking georganiseerd. Dat was confronterend, maar ook krachtig.’
‘Alles eigenlijk. We hebben samen uitgangspunten geformuleerd: sociaal, economisch, cultureel. Pas daarna kwamen de ontwerpen. Het resultaat is meer woningen dan oorspronkelijk gepland, meer ruimte voor jongeren uit de buurt, voorzieningen voor scholing en werk, en een centraal plein als huiskamer van de wijk. Dat had je nooit bereikt zonder die intensieve betrokkenheid.’
‘Nee, participatie is geen veto. Maar het is wel een essentieel onderdeel van besluitvorming. Het gaat ook om verwachtingsmanagement. Wees helder over wat vaststaat en wat nog open ligt. Mensen kunnen prima omgaan met compromissen, zolang ze zich serieus genomen voelen. Wat funest is, is schijnparticipatie.’
‘Ja, dat begrijp ik zeker. De woningnood is enorm en procedures zijn complex. Tegelijkertijd moeten we waken voor het idee dat snelheid het enige criterium is. Als we alleen maar versnellen zonder kwaliteit en zorgvuldigheid, bouwen we problemen voor de toekomst. Slechte stedenbouw betaal je later dubbel en dwars terug.’
‘In de financiering. We schrijven woningen af in dertig jaar, soms nog korter. Dat zet alles onder druk: snelheid, rendement, risico. Terwijl woningen generaties meegaan en hun waarde historisch gezien stijgt. Als we afschrijvingstermijnen verlengen naar vijftig of zestig jaar, ontstaat er ruimte. Dan dalen de aanvangskosten en kun je investeren in kwaliteit.’
‘De overheid. Die kan goedkoop lenen en risico’s dragen die voor de markt te groot zijn. Denk aan een fonds dat risico’s aan de voorkant afdekt met de afspraak dat waardestijgingen later deels terugvloeien. Dat is geen subsidie, dat is slim investeren. Pensioenfondsen zouden hier ook een rol in kunnen spelen.’
‘Het heeft mijn overtuigingen eerder bevestigd dan veranderd. Je ziet van dichtbij hoe groot de druk is, hoe hoog de verwachtingen zijn en hoe beperkt soms de instrumenten. Maar je ziet ook hoeveel verschil je kunt maken als je durft te kiezen voor de lange termijn.’
‘Ik kijk weer wat meer naar buiten. Internationaal werk, onder andere rond fietsinfrastructuur en langetermijnplanning in grote steden. Dat relativeert ook. Problemen die wij hier groot vinden, zijn elders van een heel andere orde. Maar de kern blijft hetzelfde: een stad is van en voor mensen. Als je dat serieus neemt, kom je een heel eind.’