04 mrt 2026 - Redactie VG Visie

‘Het idee om tien nieuwe steden te bouwen klinkt aantrekkelijk in zijn eenvoud, maar is een illusie’

Kristiaan Borret beweegt zich op het snijvlak van beleid en ontwerp, tussen publieke en private belangen, en tussen theorie en praktijk. Van Antwerpen tot Brussel, waar hij bouwmeester was en van Gent tot Amsterdam kijkt Borret met een scherpe, maar nooit dogmatische blik naar de stad. Wat volgt is een vraag-antwoordverhaal dat zijn denken, twijfels en overtuigingen blootlegt. Niet als kort interview, maar als een verdiepend gesprek waarin de stad centraal staat: hoe ze groeit, waar ze vastloopt en hoe ze weer adem kan halen.

U hebt in verschillende steden en landen gewerkt. Ziet u grote verschillen tussen Brussel en Amsterdam als het gaat om wonen?
‘Ja, absoluut en tegelijk ook verrassend veel gelijkenissen. Laat me beginnen met wat ze delen: de woningcrisis. In heel Europa is die voelbaar, maar ze manifesteert zich anders. In Brussel draait het probleem vooral om betaalbaarheid, terwijl het in Nederland – en zeker in Amsterdam – veel sterker gaat over een structureel tekort aan woningen. Dat verschil is niet banaal, want het bepaalt ook hoe beleid wordt gemaakt en welke instrumenten worden ingezet. Amsterdam heeft een lange traditie van actieve sturing door de overheid. Denk aan de bekende 40-40-20-verdeling tussen sociale huur, middeldure woningen en vrije markt. Dat is geen vrijblijvende afspraak, maar een harde eis die ontwikkelaars opgelegd krijgen. In Brussel bestaat zo’n systeem nauwelijks. Daar wordt sociale en betaalbare woningbouw bijna volledig gedragen door publieke investeringen en laat men de rest over aan de markt. Dat maakt het Belgische model op dat vlak zwakker, want je hebt simpelweg minder hefbomen. Tegelijk is het te makkelijk om te zeggen: dan doet Nederland het beter. Want ondanks al die sturing is de crisis daar minstens even groot. Dat leert ons iets belangrijks: het probleem zit niet alleen in het gebrek aan regels, maar ook in de manier waarop ze werken. Soms is de oplossing ook deel van het probleem.’

Ziet u dan contouren van een oplossing, bijvoorbeeld in Amsterdam waar u supervisor bent in Oostenburg en Hamerkwartier?
‘Het enorm tekort aan woningen in Nederland los je natuurlijk niet zomaar op, dat zou pretentieus zijn. Wel ben ik niet de enige die meent dat we het probleem te eenzijdig benaderen. De focus ligt erg sterk op nieuwbouw, op aantallen, op snelheid. Terwijl een groot deel van de oplossing misschien al bestaat, namelijk in de bestaande woningvoorraad. Er zijn ongelooflijk veel woningen die onderbenut zijn: te groot voor het huidige huishouden, slecht aangepast aan hedendaagse noden of simpelweg inefficiënt gebruikt. Als we echt werk willen maken van duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit op lange termijn, dan moeten we veel meer inzetten op transformatie, verdichting en hergebruik binnen het bestaande stedelijke weefsel. Dat vraagt meer regie, maar ook meer verfijning dan zomaar nieuwe wijken uit de grond stampen. Het idee om bijvoorbeeld “tien nieuwe steden” te bouwen klinkt aantrekkelijk in zijn eenvoud, maar het is een illusie. De stad is geen productielijn. Ze vraagt zorg, tijd en aandacht.’

Een vaak gehoorde klacht is dat bouwen te traag gaat door procedures en bezwaren. Hoe kijkt u daarnaar?
‘Traagheid is een interessant begrip, want er zijn verschillende soorten. Je hebt administratieve traagheid: vergunningen die eindeloos aanslepen, onduidelijke regels en een log overheidsapparaat. Dat is een probleem, ook in België, en daar kan en moet men efficiënter worden. Maar er is ook een andere vorm van traagheid, die voortkomt uit conflict. In Brussel zie je zeer goed georganiseerde burgers die bezwaar aantekenen tegen bijna elk verdichtingsproject. Soms zijn die bezwaren inhoudelijk sterk en terecht, maar anderzijds zijn er veel projecten die aan ambitie moeten inboeten. Dan krijg je een situatie waarin iedereen tegen alles is, en dat werkt verlammend. Als bouwmeester probeerde ik vaak te bemiddelen. Want het probleem zit aan beide kanten. Burgers willen soms krampachtig vasthouden aan de status quo, terwijl ontwikkelaars te weinig investeren in dialoog en kwaliteit. Ze gaan pas praten wanneer de vergunningsaanvraag ingediend is, en dan is het eigenlijk al te laat. Ik ben ervan overtuigd dat meer tijd in het voortraject uiteindelijk tijd wint in het formele proces. Minder conflicten, minder beroepen en betere projecten.’

U pleit vaak voor dialoog en kwaliteit. Welke rol spelen architectuurwedstrijden daarin?
‘Een cruciale rol. Dat is een punt waar België volgens mij verder staat dan Nederland. Wij hebben sterk ingezet op architectuurwedstrijden, niet alleen voor publieke projecten, maar ook voor private ontwikkelingen, in samenwerking met de overheid. Zo’n wedstrijd is veel meer dan een manier om een architect te kiezen. Het is een instrument om vroeg in het proces helderheid te krijgen over programma, densiteit en ambities. Alle betrokkenen zitten van bij het begin rond de tafel. Dat creëert transparantie en vertrouwen, en het verhoogt de kwaliteit aanzienlijk. In Nederland zie ik vaker overheidsaanbestedingen met zeer vernauwende selectievereisten of beperkte consultaties door grote ontwikkelaars, vaak met “the usual suspects”. Dat kan werken, maar mist het publieke karakter en de openheid die nodig zijn om een echt debat over ruimtelijke kwaliteit te voeren.’

Wat maakt volgens u een stad of wijk echt goed?
‘Er bestaat geen eenvoudig antwoord, en al zeker geen universeel systeem. Het hangt sterk af van de schaal waarop je kijkt. Op het niveau van het volledige territorium heeft het Nederlandse planningsysteem enorme voordelen: duidelijke zonering, compacte steden en goed georganiseerde mobiliteit. Vlaanderen is daar het schrikbeeld, met zijn versnipperde bebouwing. Maar als je inzoomt op de wijk, zie je het omgekeerde. Het Nederlandse systeem is vaak te rigide. Wijken worden snel en volgens plan gebouwd, maar missen ziel. Ze zijn “instant”: opgeleverd, af, klaar. In België gaat het rommeliger, trager, met vallen en opstaan. Maar daardoor ontstaat er gelaagdheid, ruimte om onderweg bij te sturen, om nieuwe ideeën toe te laten. Neem IJburg in Amsterdam: efficiënt gebouwd, maar sociaal en cultureel vrij homogeen. Veel jonge, werkende mensen en weinig menging. Dat is geen toeval, maar het gevolg van snelheid en doelgroepgerichtheid. In projecten waar ik bij betrokken was, zoals Oostenburg, heb ik alvast in de ontwerpvormen bewust gezocht naar kleine afwijkingen van het plan. Openingen om iets anders toe te laten dan voorzien. Dat soort onvolmaaktheid geeft karakter.’

U gelooft sterk in het bouwmeesterschap. Waarom is die rol zo belangrijk?
‘Omdat een goed planningssysteem noodzakelijk is, maar nooit voldoende. Regels en normen zijn er om fouten te vermijden en een basiskwaliteit te garanderen. Maar als je streeft naar excellentie, naar meer dan het minimum, dan heb je andere instrumenten nodig. De bouwmeester is zo’n instrument. Het is een paradoxale figuur: officieel aangesteld, maar met de vrijheid om officieuze dingen te doen. Je zit tegelijk binnen en buiten het systeem. Je hebt geen beslissingsmacht, geen budget en geen hiërarchische verantwoordelijkheid. Maar juist daardoor ben je vrij om te verbinden, vernieuwen en te inspireren. Ik vergelijk het weleens met een voetbalploeg. Je hebt regels nodig, maar ook een libero: iemand die anders speelt, die dynamiek brengt en het spel van de anderen beter maakt. Die hybride positie is geen zwakte, maar de kern van de kracht.’

Bent u eigenlijk met pensioen, of staat er nog meer op de planning?
‘Nee, zeker niet. Ik ben daar nog te jong voor, en bovendien veel te nieuwsgierig. Ik blijf lesgeven aan de universiteit, ik blijf actief als supervisor in Amsterdam, en ik ben kandidaat voor nieuwe, grotere projecten in andere steden in Europa. Ik hoop opnieuw een rol te kunnen opnemen met voldoende substantie, liever één diepgaand engagement dan een heleboel kleine klusjes. De stad is nooit af. Zolang er steden zijn die worstelen met wonen, ruimte en kwaliteit, blijft er werk te doen.’

All rights reserved © 2026 Young Media