Als Programmaleider Klimaat bij Wageningen University & Research kijkt Tim van Hattum al meer dan twintig jaar naar de grote ruimtelijke vragen van Nederland. Wonen staat daarbij steeds nadrukkelijker centraal. Niet alleen omdat er een miljoen woningen bij moeten, maar omdat de plek waar en de manier waarop we bouwen bepalend is voor de leefbaarheid van de komende generaties. In dit gesprek gaat het minder over abstract klimaatbeleid en meer over een fundamentele vraag: hoe blijven we veilig, comfortabel en betaalbaar wonen in een veranderend Nederland?
Jij bent geen woonexpert pur sang. Waarom bemoei jij je toch zo nadrukkelijk met wonen?
‘Omdat wonen één van de meest ruimtelijk bepalende keuzes is die we maken. Een woning bouw je niet voor tien of twintig jaar, maar voor vijftig tot soms wel honderd jaar. Dat betekent dat elke woning die we nu neerzetten, letterlijk vastlegt hoe kwetsbaar of robuust Nederland in de toekomst is. Vanuit klimaatperspectief is wonen geen losstaand dossier. Het raakt waterveiligheid, bodemdaling, hitte, droogte, energiegebruik en infrastructuur. Als je die verbanden negeert, los je de woningcrisis misschien op papier op, maar creëer je een veel groter probleem voor later.’
Wat gaat er volgens jou nu mis in de manier waarop we woningen plannen?
‘De urgentie van de woningcrisis zorgt voor tunnelvisie. We willen snel bouwen, veel bouwen en liefst op plekken waar de grond beschikbaar en relatief goedkoop is. En dat zijn toevallig vaak laaggelegen polders, voormalige overstromingsgebieden of gebieden met slappe bodems. Daarmee vergroten we bewust het risico. Niet alleen op overstromingen door rivieren of zee, maar juist ook op wateroverlast door extreme neerslag. Dat is een onderschat gevaar. Veel van die nieuwe woonwijken functioneren als badkuipen: als ze vollopen, blijft het water weken staan.’
Waarom is die neerslag zo’n groot risico voor wonen?
‘Omdat klimaatverandering niet alleen gaat over zeespiegelstijging. Het gaat juist ook over intensere regenbuien. De bui die in 2021 Limburg trof, was extreem, maar geen uitzondering meer. Als zo’n bui boven West-Nederland zou vallen, zijn de gevolgen enorm. In hoger gelegen gebieden stroomt water relatief snel weg. In polders niet. Daar heb je pompen nodig, en dat kost tijd. Dat betekent langdurige schade aan woningen, infrastructuur en voorzieningen. En toch houden we daar in veel bouwplannen nog onvoldoende rekening mee.’
Wat zou een verstandiger uitgangspunt zijn voor woningbouw?
‘Je moet eerst de vraag stellen: waar kan het veilig, nu én over vijftig jaar? Dat betekent dat je veel kritischer kijkt naar locatiekeuze. Meer bouwen op hoger gelegen gronden waar dat mogelijk is en terughoudend zijn in de meest kwetsbare gebieden. Dat is geen pleidooi om het westen van Nederland leeg te vegen. Steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag blijven gewoon bestaan. Maar de groei moet slimmer worden verdeeld en als je tóch in laaggelegen gebieden bouwt, moet je dat fundamenteel anders doen.’
Wat bedoel je met ‘anders bouwen’?
‘Waterrobuust bouwen moet de norm worden, geen niche. Denk aan woningen op terpen, verhoogde plinten of hoogbouw waarbij de onderste verdiepingen tegen tijdelijke overstroming kunnen zonder schade. We moeten ook anders naar functies kijken. Niet alles hoeft op maaiveldniveau kwetsbaar te zijn. Parkeren, berging of technische ruimtes kunnen best in zones die af en toe nat worden, maar het wonen zelf moet veilig en droog blijven. Daarnaast speelt materiaalgebruik een rol. Minder beton en staal, meer hout en biobased materialen. Dat is niet alleen beter voor het klimaat, maar ook lichter voor de bodem.’
Dat klinkt logisch. Waarom gebeurt dit nog zo weinig?
‘Omdat het huidige systeem is ingericht op korte termijn. Gemeenten, ontwikkelaars en bouwers worden afgerekend op aantallen en snelheid, niet op toekomstbestendigheid. Daar komt bij dat risico’s vaak collectief zijn, terwijl opbrengsten individueel zijn. De schade van een overstroming betaalt de samenleving, niet de ontwikkelaar die vandaag bouwt. Dat maakt het systeem pervers. Jij spreekt vaak over ‘water en bodem sturend’.’
Wat betekent dat bodemsturend concreet voor wonen?
‘Dat je water en bodem als randvoorwaarden neemt, niet als sluitpost. Dus eerst kijken: wat kan deze plek aan? Hoe hoog ligt de bodem? Hoe stabiel is die? Hoe gedraagt water zich hier bij extreme neerslag? Pas daarna ga je ontwerpen. Dat vraagt om andere keuzes, maar voorkomt dat je achteraf moet repareren met dure technische maatregelen. Het mooie is: als je dit goed doet, krijg je vaak aantrekkelijkere woonomgevingen met meer groen, meer water, minder hitte, meer biodiversiteit. Dat verhoogt de leefkwaliteit.’
Hoe verhoudt wonen zich tot andere ruimtelijke claims, zoals landbouw en natuur?
‘Wonen neemt relatief weinig ruimte in. Met één à twee procent extra landoppervlak kun je al een enorm aantal woningen bouwen. Het probleem is niet de hoeveelheid ruimte, maar waar en hoe je die gebruikt. We moeten stoppen met bouwen op onze meest vruchtbare landbouwgronden. Dat is strategisch dom. Die gronden heb je nodig voor voedselproductie. Als we het landbouwsysteem aanpassen – minder vee, meer plantaardig voedsel – komt er ruimte vrij. Niet om alles vol te bouwen, maar om slim te combineren: natuur, waterberging én wonen op veilige plekken.’
Zie jij een andere rol voor steden in de toekomst?
‘Absoluut. Verdichting in bestaande steden is een belangrijk deel van de oplossing. Maar ook daar geldt: doe het klimaatadaptief. Meer groen in de stad is geen luxe, maar noodzaak. Bomen, parken, groene daken en gevels zorgen voor verkoeling, wateropvang en leefbaarheid. Dat maakt stedelijk wonen aantrekkelijker én gezonder. Daarnaast moeten we functies mengen. Wonen, werken en voorzieningen dichter bij elkaar, zodat mobiliteit afneemt en wijken veerkrachtiger worden.’
Is betaalbaarheid niet het grote struikelblok?
‘Betaalbaarheid is een reëel punt, maar klimaatadaptief bouwen hoeft niet duurder te zijn als je het vanaf het begin meeneemt. Het wordt juist duur als je achteraf moet aanpassen. Bovendien: wat is duur? Een iets hogere bouwinvestering, of structurele schade, verzekeringsproblemen en verlies aan leefkwaliteit over dertig jaar? We zijn geneigd om kosten en baten verkeerd te verdelen in de tijd. Dat is misschien wel de grootste fout die we maken.’
Hoe kijk jij naar de rol van de overheid hierin?
‘De overheid moet duidelijker sturen en niet alles overlaten aan de markt. Woningbouw is een publiek belang, zeker in een kwetsbaar deltaland. Dat betekent duidelijke kaders: waar bouwen we niet meer, waar wel, en onder welke voorwaarden. Dat vraagt politieke moed, want het gaat tegen gevestigde belangen in. En als we nu verkeerde keuzes maken, leggen we toekomstige generaties met de rekening op.’
Je schreef ook een boek om een breder publiek te bereiken. Waarom is dat nodig?
‘Omdat wonen iedereen raakt. Dit is geen technisch verhaal voor experts. Het gaat over je huis, je straat, je veiligheid. Met Only Planet wilde ik laten zien dat er een positief alternatief is. Geen doemscenario, maar een uitnodiging om anders te denken. We kunnen in Nederland fantastisch wonen, ook in de toekomst. Maar alleen als we bereid zijn om nu verstandige keuzes te maken.’
Ben je hoopvol als je kijkt naar de komende tien jaar?
‘Voorzichtig hoopvol. Ik zie dat het gesprek verandert. Water en bodem sturend staat op de agenda. Klimaatadaptatie wordt serieuzer genomen, maar het tempo moet omhoog en de keuzes moeten scherper. Wonen is hét dossier waar alles samenkomt. Als we daar de juiste beslissingen nemen, zetten we een enorme stap richting een toekomstbestendig Nederland. Als we wonen zien als een langetermijninvestering in veiligheid, gezondheid en leefkwaliteit, dan lossen we niet alleen de woningcrisis op, maar bouwen we aan een land waar het ook over honderd jaar goed leven is.’