Wie met Ninke Happel spreekt, merkt al snel dat zij de woningcrisis niet ziet als een optelsom van aantallen. Voor haar draait het niet om 80.000 of 100.000 woningen per jaar, maar om de vraag hoe we samenleven en hoe ontwerpkracht daaraan bijdraagt. Happel (1978) studeerde architectuur aan de TU Delft en in 2007 richtte Happel Cornelisse Verhoeven op.
Word jij zenuwachtig van de jaarlijkse bouwcijfers die de overheid presenteert?
‘Zenuwachtig? Nee. Die cijfers zijn bedoeld om urgentie te tonen. Ik vind het wel problematisch hoe het debat wordt ingekleurd met de armoedige quote ‘bouwen, bouwen, bouwen’ want daarmee reduceren we het vraagstuk tot aantallen en stenen stapelen terwijl het in essentie een maatschappelijk probleem is: mensen hebben geen huis. Als je het alleen als bouwopgave ziet, kom je automatisch uit bij bijbouwen, uitbreiden, nieuwe wijken aan de rand van de stad, maar wanneer je erkent dat het een maatschappelijke opgave is, ontstaat ruimte voor andere oplossingen. Dan kun je ook kijken naar transformatie, hergebruik, verdichting, het activeren van leegstaand vastgoed. Dat vraagt om ontwerpkracht.’
Wat verandert er als je het perspectief verschuift van ‘bouwopgave’ naar ‘woonopgave’?
‘Dan kijk je anders naar sloop bijvoorbeeld. We hebben de afgelopen decennia ontzettend veel vastgoed gesloopt. Daarmee verdwijnt niet alleen een gebouw, maar ook sociale samenhang. Mensen raken hun vertrouwde omgeving kwijt, netwerken vallen uiteen. Natuurlijk zijn extra woningen nodig, daar twijfel ik niet aan, maar er staat ook veel leeg of onderbenut. Met ontwerpkracht kun je daar woningen van maken. Het is misschien eenvoudiger om een nieuw wijkje aan te leggen, maar in de beperkingen van de bestaande stad of dorp of een bestaand gebouw kunnen we meer kwaliteit vinden.’
Jullie bureau richt zich vooral op de bestaande voorraad, Waarom?
‘Omdat daar alles al is. Openbaar vervoer, scholen, winkels, infrastructuur. De meest duurzame stad, die staat er al. Wij verdichten bijvoorbeeld locaties waar eerst 44 woningen stonden en maken er 120 van, zonder torens neer te zetten. We blijven het liefst binnen zes lagen, voegen slim volume toe, reorganiseren plattegronden. Het interessante is dat je niet alleen meer woningen toevoegt, maar ook sociale, maatschappelijke en culturele waarde. Door verder te bouwen, versterken wij sociale structuren en benutten we bestaande voorzieningen. Daar is inderdaad meer ontwerpkracht voor nodig dan een wijkje in de wei. Maar het levert zoveel meer op, zowel financieel als maatschappelijk.’
Zie je een grotere rol voor architecten in deze tijd?
‘Absoluut. De opgaven zijn gestapeld: woningnood, vergrijzing, eenzaamheid, mobiliteit, klimaat. Dat zijn geen losse dossiers meer. Architecten kunnen die lagen organisatorisch en ruimtelijk verbinden. Hun ontwerpkracht wordt in Nederland gigantisch onderbenut doordat de rol van architecten geminimaliseerd is tot esthetiek.’
Hoe verhoudt dat zich tot technologie, zoals AI en parametrisch ontwerpen?
‘AI maakt ons werk efficiënter. Een deel van het tekenwerk kan geautomatiseerd worden, maar wat niet te automatiseren is, is het vermogen om onzekerheid te omarmen. Ontwerpkracht betekent voor mij: zoeken naar iets waarvan je nog niet weet wat het is dat je moet vinden. Kijk, het lukt niet om de woningen te realiseren die nodig zijn op de manier die we gewend zijn en dan is het dan tijd om het eens op een andere manier te proberen. Die zoekkracht is het specialisme van architecten en is cruciaal wanneer je in bestaande structuren werkt, waar belangen botsen en randvoorwaarden schuren. Wij voelen ons op ons gemak met die onzekerheid en hebben nog nooit geen oplossing gevonden’
Hoe ontstaan die oplossingen in de praktijk?
‘Wij werken horizontaal. Van stagiair tot partner, van architect tot aannemer en opdrachtgever: ieder idee telt. Die meerstemmigheid organiseren wij actief en is nodig om tot eenvoudige oplossingen te komen voor complexe vraagstukken. Het gaat ook over principes. Op binnenstedelijke locaties is bijvoorbeeld een uitgangspunt binnen ons bureau om ruimtelijk het randje op te zoeken om zo veel mogelijk mensen te kunnen huisvesten. Vaak ligt de oplossing dan in een kleine ingreep. Bij een oud kantoorgebouw hebben we door een slimme herindeling bijna 1.000 m² extra bruto vloeroppervlak gerealiseerd, zonder extra volume toe te voegen. Bij een oude V&D, hebben we juist een grote uitsparing gemaakt voor daglicht, waardoor wonen mogelijk werd. Zo’n ingreep lijkt achteraf vanzelfsprekend, maar het vraagt ervaring, experiment, gesprek en verbeelding.’
Hoe belangrijk is participatie in dat proces?
‘Essentieel. Iedereen heeft namelijk verstand van wonen dus betrekken wij ook echt iedereen. In het begin zijn dat omwonenden, opdrachtgevers en de gemeentes, later verandert dat naar aannemers en uitvoerders. Wij hechten aan goede samenwerking waarin iedereen in staat wordt gesteld om expertise in te brengen. Uiteindelijk moet het gebouwd worden, in gepraat kun je niet wonen. Maar goed bouwen begint bij goed luisteren.’
Werk je vooral voor woningcorporaties?
‘Op dit moment wel. Wij werken graag voor opdrachtgevers bij wie het maatschappelijke belang prevaleert. Dat vinden wij prettig. Daarnaast is het een leuke uitdaging om juist voor mensen met de kleinste beurs kwaliteitsvolle woningen te realiseren. Juist daar zie je dat ontwerpkracht rendeert. Wij verdienen onszelf meer dan terug, omdat we oplossingen vinden die financieel én ruimtelijk kloppen en ook maatschappelijk meerwaarde bieden. Een zorgvuldig ontworpen overgang tussen openbaar en privé – een stoep, een portiek, een nis – draagt bovendien bij aan veiligheid en leefbaarheid. Dat is geen kostenpost, maar een normale maatschappelijke dienst.’
Wat verwacht je van beleid en politiek?
‘Meer vertrouwen in ontwerpers. Nederland heeft zo’n 7.000 architecten dus zet die in voor de grote vraagstukken. Niet alleen voor een gevel nadat de plattegrond al is bepaald, maar aan de voorkant van het proces. Na de oorlog leidde woningnood tot standaardisatie en eentonigheid. Minister Schut riep toen een programma experimentele woningbouw in het leven, daar zijn veel interessante vernieuwingen uit voortgekomen. Nu staan we opnieuw voor een omslag. Waarom zouden we ontwerpkracht niet nationaal en programmatisch inzetten voor het halen van aantallen, betaalbaarheid, verduurzaming, verdichting en sociale cohesie?’
Je spreekt over architectuur als publieke verantwoordelijkheid. Wat bedoel je daarmee?
‘Een Belgische bevriende architect zei ooit tegen mij dat een architect twee opdrachtgevers heeft: degene die betaalt én de maatschappij. Zo is het, wij sleutelen aan ruimte die van iedereen is en dat besef moet leidend zijn. Elke bouw- of ontwikkelprofessional maakt misschien een gebouw, maar verandert daarmee ook de straat en die straat is van iedereen. Dus beschouw ik het als een collectieve verantwoordelijkheid over hoe die gedeelde ruimte beter wordt door onze ingreep. Meer programma, meer levendigheid, betere overgangen. Hoewel iedereen, wij ook, daar het liefst een goede boterham aan wil verdienen, vind ik een project pas geslaagd als ook de maatschappelijke meerwaarde is gegroeid. De stad is al goed – met haar voorzieningen, haar netwerken, haar geschiedenis – maar de vraag is: hoe maken we haar nog beter door de actualiteit te omarmen?’