De gebouwde omgeving bepaalt ons dagelijks leven, maar speelt een opvallend kleine rol in het publieke debat. Programmamaker en curator Linda Vlassenrood probeert dat te veranderen. In haar werk brengt ze ontwerpers, beleidsmakers en bewoners samen om complexe stedelijke vraagstukken inzichtelijk en bespreekbaar te maken. Met tentoonstellingen, onderzoek en publicaties laat ze zien hoe de keuzes in stedenbouw en architectuur tot stand komen en welke gevolgen die kunnen hebben voor hoe mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten.
‘Ik heb architectuurgeschiedenis gestudeerd en ben altijd gefascineerd geweest door de gelaagdheid van het vak. De discipline is namelijk onlosmakelijk verbonden met ruimtelijke, sociaal-maatschappelijke, politieke en economische ontwikkelingen. Direct daarna ben ik bij het Nederlands Architectuurinstituut gaan werken als curator. Daar maakte ik tentoonstellingen over architectuur en stedenbouw in de breedste zin van het woord. In het begin dacht ik: ik maak tentoonstellingen voor iedereen, maar al snel merkte ik dat je vooral mensen bereikt die al geïnteresseerd zijn in architectuur of de gebouwde omgeving. Dat zette me aan het denken. In Nederland is namelijk alles ontworpen: van landschappen, woonwijken en bruggen tot stoepen en lantaarnpalen. Toch praten we daar nauwelijks over met elkaar.’
‘Neem bijvoorbeeld een willekeurige woonwijk. Daar is over elk detail nagedacht: hoe breed de straat is, waar het groen is gekomen, waar kinderen kunnen spelen en hoe je van je huis naar het openbaar vervoer loopt? Maar voor de meeste mensen blijft dat onzichtbaar. Die wijk verandert bovendien door de jaren heen. Mijn werk is eigenlijk steeds meer gaan draaien om de vraag hoe je ontwerpkeuzes en veranderingen bespreekbaar maakt. De blinde vlekken zichtbaar maken, voor alle betrokken partijen overigens en niet alleen voor bewoners.’
‘Architectuur kun je nog redelijk makkelijk laten zien of illustreren. Als je een gebouw bespreekt kun je een maquette maken of mensen er doorheen laten lopen. Maar stedenbouw speelt zich af op een veel grotere schaal en ontwikkelt zich over een langere tijd. Denk aan een wijk die in twintig of dertig jaar groeit. Dan zie je niet in één oogopslag hoe alles samenhangt. Bij onderwerpen als de energietransitie wordt het nog abstracter. Als een wijk van het gas af moet, heb je te maken met techniek, infrastructuur, bewoners, beleid en financiering. Je kunt dat niet in één beeld vatten. Sommige onderdelen of ingrepen zijn namelijk onzichtbaar omdat ze onder de grond zitten of datagerelateerd zijn en deze fysieke ingrepen of status quo van een wijk verhouden zich altijd tot een leefwereld met sociaal-maatschappelijke vraagstukken als eenzaamheid, armoede of een gebrek aan thuisvoelen. Daarom zoek ik altijd naar de meest passende manier om het verhaal te vertellen. Vaak met als doel om een kloof in taal en expertise te overbruggen of om te spiegelen. Soms is dat een tentoonstelling met kaarten en modellen, soms een workshop waarin bewoners zelf scenario’s kunnen verkennen, soms een documentaire waarin verschillende perspectieven worden gedeeld, soms een spel op locatie en soms een publicatie waarin je het proces stap voor stap uitlegt. Voor de Hogeschool van Amsterdam heb ik bijvoorbeeld een project geleid over de energietransitie waarbij we een prototype voor een interactieve omgeving maakten. Daarbij werden verschillende partijen uit een buurt zoals bewoners, woningcorporatie en gemeenteambtenaren bij elkaar gebracht om de verschillende toekomstscenario’s rondom het bouwen van een energiegemeenschap in beeld te brengen en de implicaties daarvan op buurtniveau begrijpelijk en bespreekbaar te maken.’
‘We weten dat bewoners veel kennis hebben over hun eigen wijk. Zij weten bijvoorbeeld precies welke plekken veilig of onveilig voelen, waar jongeren samenkomen of waar behoefte aan is. Die kennis is ontzettend waardevol, maar we benutten haar onvoldoende. Er zijn daarnaast tal van buurtinitiatieven die als verbinder ongelooflijk belangrijk werk doen lokaal, maar daarvoor onvoldoende erkenning krijgen door instanties. Instellingen zijn vaak terughoudend om zich er betekenisvol mee te verbinden. Vaak zijn ze moeilijk bereikbaar of luisteren alleen via de gevestigde ambtelijke kanalen. In veel projecten mogen bewoners wel meepraten, maar vaak pas als de belangrijkste keuzes al zijn gemaakt. Terwijl je juist in een vroeg stadium veel kunt leren van wat mensen dagelijks ervaren. Hierdoor missen stedelijke ontwikkelingen vaak een gedeelde visie voor de toekomst.’
‘De woningnood is natuurlijk een enorme opgave, maar het probleem is dat we die vaak te eenzijdig bekijken. Het politieke mantra is dat er zoveel mogelijk woningen moeten worden gebouwd en daardoor gaat de aandacht al snel naar nieuwbouw. Maar als je beter kijkt naar bestaande steden en wijken, zie je daar vaak nog veel onbenut potentieel. We hebben meer dan genoeg woonruimte in Nederland, maar veel te weinig voordeuren en een te eenzijdig aanbod van woontypologieën. Denk aan leegstand boven winkels, maar ook naoorlogse woonwijken met grote open ruimtes tussen flats. Daar kun je soms woningen toevoegen of woningen splitsen, maar ook voorzieningen verbeteren of energieprojecten combineren met vergroening. In zulke wijken spelen tegelijkertijd meerdere vraagstukken: verduurzaming van gebouwen, sociale cohesie, mobiliteit en woningbouw. Het zijn precies de plekken waar een integrale aanpak nodig is om tot toekomstbestendige buurten te komen.’
‘Omdat organisaties vaak vanuit een verkokerd en risicomijdend karakter werken. Het sociaal domein kijkt naar armoede of eenzaamheid, het ruimtelijk domein naar woningbouw en infrastructuur en technici naar energie en installaties. Iedereen heeft zijn eigen budget en doelstellingen. Neem bijvoorbeeld een wijk die verduurzaamd moet worden. Technisch kun je huizen isoleren en een warmtenet aanleggen. Maar als je tegelijkertijd investeert in betere openbare ruimte – bijvoorbeeld een park of ontmoetingsplek – kun je ook sociale problemen aanpakken. Alleen zitten die budgetten vaak niet bij elkaar en daardoor blijven kansen liggen.’
‘Aan goede bedoelingen is geen gebrek en op papier kun je prachtige plannen maken. Maar in een bestaande wijk heb je te maken met bewoners, regelgeving en financiële kaders. Stel dat je een plein wilt herinrichten zodat er meer ontmoeting ontstaat. Dan moet je rekening houden met parkeerplaatsen, kabels en leidingen, budgetten en procedures. Dat betekent niet dat het onmogelijk is, maar het vraagt veel durf, samenwerking en doorzettingsvermogen.’
‘Ja, en dan zie je vaak dat de samenwerking vanaf het begin goed is geregeld en in de tijd ook standhoudt. Bijvoorbeeld wanneer gemeente, woningcorporaties, ontwerpers en bewoners al in een vroeg stadium samen optrekken. In zulke projecten worden bewoners niet alleen geïnformeerd, maar echt betrokken bij de keuzes. Juist ontwerpers kunnen een belangrijke rol spelen in het betrekken van al deze partijen. Ze hebben kennis van het ontwerpen van complexe vraagstukken op verschillende schaalniveaus en werken met allerhande organisaties samen. Hierdoor hebben ze zicht op de ruimtelijke, financiële, technische en sociaal-maatschappelijke belangen en zijn ze in staat om de dialoog tussen partijen te bevorderen. Die uitwisseling is dus hard nodig omdat perspectieven in de praktijk vaak met elkaar botsen.’
‘Ook zij is een blinde vlek, maar dan in onze architectuurgeschiedenis. Ik vond het opvallend dat er over haar zo weinig geschreven was, terwijl ze enorm veel invloed heeft gehad op de ontwikkeling van Amsterdam. In de architectuurgeschiedenis worden gebouwen en stedenbouwkundige projecten bij voorkeur aan een enkele auteur toegeschreven met als gevolg dat de canon door slechts een kleine groep architecten wordt bepaald: hoofdzakelijk man, wit en Westers. Het is echter duidelijk dat het realiseren van architectuur en stedenbouw niet het werk is van een enkel genie, maar per definitie het resultaat is van samenwerking en een complexe uitwisseling van ideeën tussen de verschillende partijen die bij een project betrokken zijn: van opdrachtgevers en ontwerpers tot bouwers, ingenieurs en bewoners. Mulder was een van die actoren binnen de gemeente Amsterdam. Ze werkte op verschillende schaalniveaus: van complete wijken tot details in de openbare ruimte. Wat ik interessant vind, is dat ze heel bewust nadacht over ontmoeting. Ze keek bijvoorbeeld waar je een vijver of park moest plaatsen, zodat verschillende groepen mensen elkaar zouden tegenkomen: kinderen die spelen, ouders die toezicht houden en ouderen die een wandeling maken. Dat lijkt misschien een klein detail, maar het is deze menselijke maat die van grote invloed is op hoe een wijk functioneert.’
‘Het boek over Jakoba Mulder moet worden afgerond en daarnaast werk ik voor het Nationaal Renovatie Platform (NRP, red.) waar we kijken hoe we de bestaande gebouwde omgeving beter kunnen benutten. De centrale gedachte is dat we zo min mogelijk slopen en vooral moeten werken met wat er al is. Dat betekent bijvoorbeeld dat je bestaande scholen renoveert en niet door nieuwbouw vervangt of dat je bestaande wijken slimmer aanpast.’
‘Ik zou het mooi vinden als het gesprek over steden veel breder wordt gevoerd. Nu blijft het vaak geïsoleerd binnen de verschillende vakgebieden, terwijl het uiteindelijk gaat over hoe we met elkaar samenleven. De uitdaging is om die verhalen toegankelijker te maken, zodat er meer wederzijds begrip en vertrouwen gaat ontstaan. Dit geldt voor professionele partijen die beter met elkaar zouden moeten samenwerken, maar ook voor bewoners om te begrijpen waarom keuzes worden gemaakt en wat hun aandeel daarbij kan zijn. Hierdoor ontstaat er meer betrokkenheid en dat maakt de stad uiteindelijk beter.’