Fotografie: Evert van Moort
De Nederlandse woningbouw draait op volle toeren. Overal verschijnen nieuwe woongebouwen, verdichtingsprojecten en complete wijken. In het publieke debat gaat het daarbij vaak over aantallen: hoeveel woningen moeten er worden gebouwd en hoe snel? Volgens architect Ianthe Mantingh, directeur van architectenbureau Zijdekwartier, is dat een te beperkte manier van kijken. Voor haar begint architectuur niet bij beton, gevels of vierkante meters, maar bij mensen.
Wanneer werd voor jou duidelijk dat architectuur eigenlijk over mensen gaat?
‘Dat besef kwam al heel vroeg. Toen ik een jaar of zestien was en moest nadenken over een studie, hadden we het bij aardrijkskunde over verstedelijking. Steeds meer mensen trokken naar de stad. Tegelijk had ik zelf al in verschillende huizen en buurten gewoond en toen begon ik me te realiseren hoe bepalend een gebouw kan zijn voor hoe je je voelt. Als je een gebouw binnenloopt, voel je dat meteen: is er licht, is er zicht, kun je je oriënteren? Of voelt het juist donker en onoverzichtelijk? Dat soort dingen heeft enorme invloed op hoe comfortabel je je ergens voelt. Voor mij werd het daardoor eigenlijk meteen een heel spannende vraag: als we met z’n allen steeds meer in een gebouwde omgeving leven, hoe zorgen we er dan voor dat die omgeving ook prettig blijft? Hoe maak je plekken waar mensen zich thuis voelen? Dat was uiteindelijk de reden dat ik bouwkunde ging studeren. Niet omdat ik zo nodig mooie gebouwen wilde ontwerpen, maar omdat ik wilde begrijpen hoe gebouwen het leven van mensen beïnvloeden.’
Tijdens je studie kwam dat perspectief niet vanzelfsprekend terug.
‘Nee, helemaal niet. Toen ik in 1997 in Delft begon, zat de architectuurwereld midden in de tijd van de iconische gebouwen. Grote namen, sterke concepten en indrukwekkende beelden. Als student leerde je dat je vooral een scherp idee moest presenteren en dat vervolgens zo spectaculair mogelijk moest visualiseren. Als de presentatie overtuigend was, dan was het ontwerp goed. Na een paar jaar begon dat te wringen. Ik merkte dat het eigenlijk een soort trucje was geworden. Architectuur leek meer op marketing: hoe maak je iets dat er bijzonder uitziet? Maar de vraag waarom je iets maakt, voor wie je het maakt en wat het betekent voor mensen bleef vaak onderbelicht. Terwijl dat voor mij juist de kern was.’
En toen?
‘Ik merkte dat ik vooral kennis uit sociale wetenschappen miste en wilde begrijpen hoe mensen functioneren in groepen, hoe identiteit werkt en hoe een omgeving gedrag kan beïnvloeden. Daarom ben ik, naast mijn studie, filosofie- en sociologiecolleges gaan volgen in Amsterdam. Dat was destijds vrij ongebruikelijk, maar ik had het gevoel dat ik die kennis nodig had om architectuur echt te begrijpen. Mijn afstudeerproject speelde zich af in Belfast, een stad waar protestantse en katholieke gemeenschappen jarenlang scherp van elkaar gescheiden waren. Daar zag je letterlijk hoe identiteit de stad vormde. Mensen namen bepaalde routes, omdat andere straten onveilig voelden en kinderen gingen naar verschillende scholen. Dat project maakte voor mij heel duidelijk dat architectuur nooit neutraal is. Gebouwen en steden bepalen hoe mensen zich bewegen, waar ze zich veilig voelen en daarmee ook hoe groepen zich tot elkaar verhouden.’
In de woningbouw wordt veel gesproken over ontmoeten faciliteren, maar hoe werkt dat echt?
‘Ontmoeting is bijna een modewoord geworden. In veel projecten wordt gezegd dat ontmoeting belangrijk is en dan wordt er bijvoorbeeld een gezamenlijke daktuin toegevoegd. Vervolgens wordt dat gepresenteerd als een gebouw dat ontmoeting stimuleert. Maar zo werkt het niet. Mensen gaan niet automatisch naar zo’n plek toe. Vaak zijn het juist de mensen die toch al sociaal zijn die zulke plekken gebruiken. De mensen die zich minder zeker voelen of die eenzaam zijn, blijven juist weg. Dan creëer je dus geen verbinding, maar vergroot je soms zelfs de afstand. Je ziet dat ook bij veel appartementencomplexen waar een grote gemeenschappelijke ruimte of daktuin wordt toegevoegd. Het idee is goed, maar als die plek niet op een natuurlijke route ligt – bijvoorbeeld tussen straat en woning – dan wordt hij nauwelijks gebruikt.’
Wat zijn volgens jou de voorwaarden voor echte ontmoeting?
‘Ontmoeting moet altijd vrijwillig zijn en laagdrempelig. Mensen moeten er zelf voor kunnen kiezen. Dat betekent dat de beste plekken voor contact vaak de plekken zijn waar mensen toch al komen, zoals de route van straat naar woning. Daar kun je kleine momenten creëren waarop mensen elkaar zien en herkennen. Daarnaast is privacy ongelooflijk belangrijk. Mensen moeten zich eerst veilig voelen in hun eigen woning. Pas als die basis op orde is, ontstaat de ruimte om contact te maken. Ontmoeting kun je niet afdwingen. Je kunt alleen omstandigheden creëren waarin het vanzelf kan gebeuren. Je ziet bijvoorbeeld dat een simpel stoepje of een kleine overgangszone voor een woning al enorm kan helpen. Daar kunnen mensen even zitten, een praatje maken of gewoon kijken wat er gebeurt. Dat soort plekken zorgt vaak voor het grootste deel van de ontmoetingen in een buurt.’
Zijn er nog meer manieren?
‘Ons zicht is horizontaal gericht, dus we ervaren een gebouw vooral op ooghoogte. Als de plint van een gebouw gesloten is, bijvoorbeeld met bergingen of garages, dan voelt een straat meteen anoniem en onveilig. Daarom is het belangrijk dat er juist in die zone leven zichtbaar is, maar dat moet je wel goed ontwerpen. Als bewoners te weinig privacy hebben, gaan de gordijnen dicht en verdwijnt dat leven alsnog. Dan kun je net zo goed een blinde gevel hebben. Hetzelfde geldt voor veel moderne woongebouwen met lange binnen-corridors. Dat zijn eigenlijk hotelgangen. Als je daar doorheen loopt, zie je niet wie er thuis is, zie je geen gordijnen of planten en is er nauwelijks contact mogelijk. Dan kun je ook moeilijk verwachten dat bewoners een beetje oog voor elkaar krijgen.’
Jouw bureau werkt veel in de sociale woningbouw.
‘Ja, omdat we daardoor kunnen werken op de plekken waar we de meeste impact kunnen maken. Wij werken veel met woningcorporaties in buurten waar de leefbaarheid onder druk staat en waar eenzaamheid een groot probleem is. Juist daar kan architectuur echt verschil maken en het mooie is dat het helemaal niet duur hoeft te zijn. Als je vanaf het begin rekening houdt met sociale principes, kun je nog steeds efficiënt bouwen. Bij een project als het Sumatrahof in Leiden hebben we bijvoorbeeld geprobeerd een woongebouw te ontwerpen dat voelt als een klein buurtje. Het gebouw bestaat uit appartementen rond een binnenhof, met veel verschillende routes, trappen en plekken waar bewoners elkaar kunnen tegenkomen. Er zijn meerdere trappen en doorgangen zodat bewoners verschillende routes naar hun woning kunnen nemen. Dat klinkt misschien klein, maar het geeft mensen letterlijk keuzevrijheid en vergroot de kans dat je elkaar tegenkomt.’
In het publieke debat gaat het vaak vooral over aantallen woningen.
‘Dat begrijp ik, want er is een enorme woningnood, maar het gevaar is dat we daardoor alleen nog naar snelheid kijken. De gebouwen die we nu neerzetten staan er waarschijnlijk honderd jaar, dus dan kun je beter even nadenken en het goed doen. Veel naoorlogse wijken laten zien wat er mis kan gaan als je alleen focust op aantallen. In die wijken staan de gebouwen als losse objecten op grote velden met parkeerplaatsen en groen. De gebouwen zijn wel ontworpen, maar de ruimte ertussen nauwelijks. Die open ruimte heeft weinig karakter en voelt anoniem. Terwijl een fijne buurt begint bij goede stedenbouw, met een differentiatie van plekken en een menselijke maat. Dat zijn lessen waar we nu echt van moeten leren.’
Wat is volgens jou uiteindelijk de kern van goede architectuur?
‘Dat we gebouwen maken voor ménsen, waarin zij zich thuis voelen en het gevoel hebben erbij te horen. Architectuur kan niet alle sociale problemen helemaal oplossen, maar we kunnen wel gebouwen maken die mensen uitnodigen om deel uit te maken van een gemeenschap. Bij een project als Magnolia in Alphen aan den Rijn hebben we bijvoorbeeld veel aandacht besteed aan de route van straat naar woning. De entreehallen zijn ruimer gemaakt en er zijn bankjes toegevoegd waar mensen even kunnen zitten. Dat lijkt een klein detail, maar voor oudere bewoners – die soms maar één keer per dag naar buiten gaan om de post te halen – kan zo’n plek het verschil maken tussen anoniem langs elkaar lopen of even een praatje maken. Dat begint vaak met heel kleine dingen: elkaar herkennen, een groet op de galerij, een kort gesprek bij de ingang. Dat lijkt misschien weinig, maar voor veel mensen kan dat juist veel betekenen. Als je dat soort momenten mogelijk maakt, dan heeft architectuur echt betekenis. Voor mij blijft daarom altijd dezelfde volgorde gelden: eerst het leven, dan de ruimte en pas daarna het gebouw.’