De woningnood laat zich niet langer wegmasseren met cijfers en prognoses. Achter elke statistiek schuilt een systeem dat piept, kraakt en op onderdelen vastloopt. Mariëlle Hoefsloot, directeur van de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit, kijkt daar met een scherpe en tegelijk hoopvolle blik naar. Ze ziet vooruitgang, maar ook een sector die zichzelf opnieuw moet uitvinden.
‘Er is absoluut iets veranderd en dat is misschien wel de belangrijkste constatering. Waar wonen een paar jaar geleden nog nauwelijks politiek gewicht had, staat het nu bovenaan de agenda. De urgentie wordt gevoeld, er wordt over nagedacht en er worden stappen gezet. Dat zie je terug in de aantallen: er wordt meer gebouwd en meer getransformeerd. Tegelijkertijd moeten we eerlijk blijven: het tempo is nog onvoldoende en de manier waarop we het probleem benaderen, is niet altijd effectief. We zijn goed geworden in het bestrijden van symptomen, maar minder in het aanpakken van de oorzaken.’
‘In de manier waarop we ons systeem hebben ingericht. We hebben een ruimtelijke economie gecreëerd waarin de hoogste waarde leidend is geworden. Dat klinkt logisch vanuit een marktperspectief, maar het botst met de maatschappelijke opgave die we hebben. Want als grondprijzen blijven stijgen op basis van maximale opbrengst, dan vallen betaalbare woningen daar automatisch buiten. Dan kun je nog zo hard bouwen, maar dan bouw je in feite voor een steeds kleinere groep. Daar komt bij dat we te maken hebben met schaarste aan grondstoffen, stijgende prijzen en geopolitieke onzekerheden. Dat zijn geen tijdelijke factoren. Dus als we blijven bouwen zoals we dat deden, lopen we vast. We zullen slimmer moeten omgaan met wat we hebben: meer hergebruik, meer transformatie en meer industriële bouwmethoden en misschien ook wel een andere waardering van wat ‘kwaliteit’ betekent.’
‘Allereerst moeten we terug naar de basis: wat willen we eigenlijk met onze ruimte? Als het antwoord is dat iedereen betaalbaar en goed moet kunnen wonen, dan moet je je systeem daarop inrichten. Dat betekent dat je anders naar grond moet kijken, maar ook naar samenwerking want wat we nu hebben gedaan, is alles opdelen. De overheid doet haar ding, de markt ook en maatschappelijke partijen proberen ergens invloed uit te oefenen. Dat leidt tot versnippering en wantrouwen. Terwijl bouwen per definitie een collectieve opgave is. Je hebt opdrachtgevers, ontwikkelaars, bouwers, ontwerpers en overheden nodig en uiteindelijk ook bewoners. Als die allemaal vanuit hun eigen koker opereren, optimaliseren ze hun eigen stukje, maar niet het geheel en dat is precies wat er misgaat.’
‘Ja, maar niet als containerbegrip. Het gaat om gedeelde verantwoordelijkheid en dat betekent dat je veel eerder met elkaar om tafel moet, dat je belangen expliciet maakt en dat je samen bepaalt wat de maatschappelijke opgave is. Niet dat de overheid zegt: “wij lossen het op” en de rest volgt. Want zo werkt het niet meer. We hebben eigenlijk een nieuwe bouwcultuur nodig. Een cultuur waarin niet het individuele belang centraal staat, maar het gezamenlijke resultaat. Dat vraagt ook om vertrouwen en dat zijn we een beetje kwijtgeraakt. We hebben het systeem ingericht op controle en afvinken, terwijl kwaliteit juist ontstaat in het gesprek.’
‘Neem de manier waarop we plannen maken. Vaak zijn die heel sectoraal: verkeer, wonen, energie, natuur…allemaal aparte dossiers. Maar in de praktijk komen die samen op één plek, dus als je die niet integraal benadert, krijg je suboptimale oplossingen. De Omgevingswet biedt juist de kans om dat anders te doen, om meer samenhang te creëren. Maar dan moet je hem wel benutten. Dat betekent ook dat je moet durven loslaten dat alles vooraf dichtgetimmerd is. In plaats van alleen maar regels die je kunt afvinken, moet je werken met ambities waarover je het gesprek voert. Wat betekent kwaliteit hier? Wat past bij deze plek? Dat soort vragen zijn complexer, maar leveren uiteindelijk betere resultaten op.’
‘Omdat we nergens in Nederland op een leeg vel beginnen. Elke locatie heeft een geschiedenis, een identiteit, een context. Als je die negeert, krijg je generieke wijken die overal en nergens kunnen liggen. Maar als je daarop voortbouwt, ontstaat er iets dat mensen herkennen en waar ze zich mee kunnen verbinden. Dat gaat over stedenbouw, over architectuur, maar ook over hoe mensen een gebied gebruiken. Hoe bewegen ze zich? Waar ontmoeten ze elkaar? Hoe verhoudt de openbare ruimte zich tot de private ruimte? Dat zijn allemaal vragen die bepalen of een plek werkt.’
‘Ja, gelukkig wel. Ik werk mee in De Nieuwe Stad in Amersfoort en daar zie je hoe een gebied zich organisch ontwikkelt. Er is een partij die langdurig betrokken is en zich verantwoordelijk voelt voor wat er ontstaat. Daardoor is er ruimte voor kwaliteit, experiment en voor ontmoeting. Je ziet dat mensen zich er thuis gaan voelen, dat er langzaam een gemeenschap ontstaat. Wat al die goede voorbeelden gemeen hebben, is dat er iemand is die verder kijkt dan de korte termijn. Die niet alleen denkt: wat levert dit nu op, maar ook: wat laat ik achter?’
‘Dat is misschien wel de sleutel. Als we echt willen dat wonen betaalbaar blijft, moeten we iets met de manier waarop we met grond omgaan. Nu zit daar een enorme waardeontwikkeling in, die vaak los staat van de maatschappelijke opgave. Dat maakt het heel moeilijk om betaalbaarheid vast te houden. Er zijn alternatieven: coöperatieve modellen, grondfondsen en constructies waarbij grond niet zomaar verhandeld kan worden. Dat zijn geen wondermiddelen, maar ze laten wel zien dat het anders kan en dat we dus keuzes hebben.’
‘Dan blijven we in een systeem hangen waarin betaalbaarheid tijdelijk is. Dan bouw je woningen die misschien bij oplevering betaalbaar zijn, maar na een paar jaar niet meer. Dat zie je nu al. Wijken waar tien jaar geleden nog betaalbare woningen stonden, zijn nu onbereikbaar voor een groot deel van de bevolking. Dat vergroot de ongelijkheid. Mensen die al een huis hebben, profiteren van stijgende prijzen. Mensen die dat niet hebben, komen er steeds moeilijker tussen. Dat is niet alleen een economisch probleem, maar ook een maatschappelijk probleem.’
‘Moed. Om anders te denken, om bestaande systemen ter discussie te stellen en om samen te werken op manieren die we misschien niet gewend zijn. Maar ook om weer trots te zijn op wat we maken. We zijn ergens onderweg de verbinding kwijtgeraakt tussen wat we bouwen en wat dat betekent voor mensen. Als we die weer terugvinden – we weer gaan bouwen met het idee dat we iets achterlaten voor de toekomst – dan verandert er veel. Dan gaat het niet alleen meer over aantallen, maar over kwaliteit en uiteindelijk is dat waar het om draait.’