Het Nederlandse landschap staat onder druk. Nieuwe woonwijken, energielandschappen, infrastructuur en logistieke functies stapelen zich op, vaak zonder duidelijke samenhang. Voor Agnes Franzen, strategisch adviseur bij de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) en verbonden aan de TU Delft, ligt de kern van het probleem niet alleen in wat we bouwen, maar vooral in hoe we dat doen. ‘We behandelen het landschap nog te vaak als restgebied, terwijl het juist de basis zou moeten zijn van gebiedsontwikkeling.’ In dit gesprek pleit zij voor een fundamenteel andere benadering: bouwen mét het landschap in plaats van erin.
‘Wat mij vooral trof, is de scherpte van de kritiek. Van Toorn beschrijft hoe het landschap steeds voller en rommeliger wordt, met functies die er eigenlijk niet logisch in passen. Dat zie je ook gewoon gebeuren: grote dozen, datacenters en recreatieparken die ergens worden neergezet omdat er ruimte is. Dat beeld herken ik heel sterk. Tegelijkertijd realiseerde ik me dat we het vaak over natuur hebben, maar veel minder expliciet over landschap. Terwijl landschap juist gaat over hoe alles samenkomt: natuur, landbouw, wonen en infrastructuur. Dat is de leefomgeving van mensen. En als die samenhang ontbreekt, voel je dat direct.’
‘We beginnen te vaak vanuit de functie en niet vanuit de plek. Er is een woningbouwopgave, dus we zoeken ruimte. Of er is behoefte aan een datacenter en dat komt ergens waar grond beschikbaar en betaalbaar is. Pas daarna gaan we nadenken over hoe het in het nieuwe landschap past. Maar eigenlijk zou je het moeten omdraaien: eerst begrijpen wat voor landschap je hebt, wat de kwaliteiten zijn, wat de geschiedenis is, en dan kijken wat daar logisch in kan landen. Nu is het vaak andersom, en dat leidt tot die versnippering waar Van Toorn het over heeft.’
‘Gebiedsontwikkeling begint wat mij betreft met het lezen van het landschap. Dat klinkt misschien abstract, maar het betekent dat je kijkt naar structuren: is het een open polder, een kleinschalig coulisselandschap, een stedelijke randzone? Elk type landschap heeft een eigen logica. In een open polder werkt grootschaligheid anders dan in een kleinschalig landschap. In een coulisselandschap moet je veel zorgvuldiger omgaan met zichtlijnen en structuren. Als je die verschillen serieus neemt, krijg je automatisch andere ontwerpen. Daarnaast moet je denken in lange lijnen. Niet alleen: waar bouwen we nu woningen? Maar: hoe ziet dit gebied er over twintig of dertig jaar uit? Welke functies komen er nog bij? Dat vraagt om een integrale benadering.’
‘Dat is precies de uitdaging. We moeten veel woningen bouwen, maar dat betekent niet dat je het landschap moet opofferen. Sterker nog: als je het landschap negeert, krijg je uiteindelijk slechtere woonomgevingen. Wat je moet doen, is slimmer combineren. Kijk bijvoorbeeld naar waar je verdicht en waar je uitbreidt. Binnenstedelijk kan veel, maar niet alles. Buitenstedelijk kan ook, maar dan moet je heel goed kijken welk type woningen je bouwt en hoe dat past in het landschap. We hebben nu andere huishoudens dan vroeger: meer alleenstaanden, meer ouderen. Dat vraagt om andere woningtypen, vaak compacter en met andere voorzieningen. Als je dat koppelt aan de kwaliteiten van een gebied, kun je veel gerichter ontwikkelen.’
‘Precies. Dat is misschien wel de grootste les. We hebben in het verleden beleidsmatig vaak gestandaardiseerd gebouwd, denk aan de compact gelegen Vinex-wijken. Dat had voordelen, maar die tijd is voorbij. Nu vraagt elk gebied om maatwerk. In het ene gebied kun je hogere dichtheden realiseren, in een ander gebied moet je juist kleinschaliger blijven en soms moet je ook concluderen dat iets gewoon niet past.’
‘Neem de relatie tussen landbouw en woningbouw. Dat is vaak een spanningsveld, maar het kan ook kansen bieden. In sommige gebieden kun je functies mengen, bijvoorbeeld door wonen en kleinschalige landbouw te combineren. In andere gebieden moet je juist keuzes maken. Dit geldt zeker voor de klimaattransitie. Dit vraagt om nieuwe landschappen zoals bosgebieden en verbreding van rivieren en als je weet dat een gebied gevoelig is voor wateroverlast, kun je dat gebruiken als uitgangspunt voor je ontwerp. Dan maak je waterstructuren onderdeel van de woonomgeving, in plaats van een probleem dat je achteraf oplost. Dat vraagt wel dat je vanaf het begin integraal denkt, en niet sector voor sector.’
‘Dat is misschien wel het moeilijkste onderdeel. Je hebt te maken met overheden, ontwikkelaars, grondeigenaren en bewoners. Iedereen heeft andere belangen. Wat helpt, is om vroegtijdig samen te werken en scenario’s te ontwikkelen. Laat zien wat de keuzes zijn: dit is goedkoper, maar heeft meer impact op het landschap. Dit is duurder, maar past beter. Dan kunnen mensen beter afwegen. Uiteindelijk moet je wel besluiten nemen. Je kunt niet iedereen tevreden stellen. En soms betekent dit dat je zegt: dit doen we niet, want het past hier niet.’
‘Deels wel, deels niet. De overheid heeft een belangrijke rol in het stellen van kaders, maar kan het niet alleen. Juist omdat er zoveel grond in private handen is, moet je samenwerken. Wat wel belangrijk is, is dat je duidelijk bent over de richting. Als je aan de voorkant helder maakt wat de uitgangspunten zijn – bijvoorbeeld dat het landschap leidend is – dan helpt dat enorm in het proces.’
‘Zeker. Er is steeds meer aandacht voor landschap en kwaliteit. En er zijn ook goede voorbeelden waar het wel lukt om integraal te werken. Maar het gaat nog niet overal goed. En met de druk die we nu hebben, moeten we echt een stap verder zetten. Anders lopen we het risico dat we achteraf spijt krijgen van wat we nu bouwen.’
‘Meer ontwerpend, meer integraal en meer gebiedsspecifiek. Ik denk dat we veel meer gebruik moeten maken van de kennis van landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen. En ik zou het mooi vinden als we dat ook explicieter maken, bijvoorbeeld via ontwerpprijsvragen: hoe ziet de woonwijk van de toekomst eruit, in relatie tot het landschap? Dat helpt om nieuwe ideeën te ontwikkelen.’
‘Dat we het samen doen. Dat klinkt misschien als een cliché, maar het is echt zo. Publieke, maatschappelijke en private partijen moeten elkaar vinden, kennis moet worden gedeeld, en er moet vertrouwen zijn. Organisaties zoals de SKG spelen daarin een belangrijke rol, omdat ze die werelden bij elkaar brengen. Uiteindelijk gaat het erom dat we keuzes maken die niet alleen vandaag werken, maar ook op de lange termijn waarde toevoegen, voor het landschap én voor de mensen die erin leven.’