Gestapelde studentenwoningen met gekleurde gevelpanelen, illustratief bij de huurprijzen van studentenkamers
30 aug 2026 - Young Media

Studentenkamers te duur, gemeenten handhaven nauwelijks.

Studentenkamers te duur, gemeenten handhaven nauwelijks.

Zes op de tien studentenkamers in Nederland worden aangeboden boven de wettelijk toegestane maximumhuur, terwijl gemeenten daar nauwelijks tegen optreden. Dat blijkt uit onderzoek van het onderzoeksprogramma Argos van NPO Radio 1, dat op 28 augustus 2026 werd gepubliceerd. Voor de analyse werden 2.637 advertenties op verhuurplatform Kamernet uit juli en augustus doorgerekend.

De bevindingen komen aan het begin van het academisch jaar, wanneer de druk op de kamermarkt traditioneel het hoogst is. Ze raken bovendien direct aan de werking van de Wet betaalbare huur, die gemeenten sinds 2025 verplicht op te treden tegen verhuurders die meer vragen dan het woningwaarderingsstelsel toestaat.

Studentenkamers wijken structureel af van het maximum

Verhuurders van te dure studentenkamers vragen volgens Argos gemiddeld 239 euro per maand meer dan wettelijk is toegestaan. De gemiddelde vraagprijs voor een kamer kwam landelijk uit op 655 euro per maand.

Tussen studentensteden bestaan grote verschillen. In Leeuwarden en Enschede ligt de gemiddelde kamerhuur rond de 450 euro, terwijl de prijzen in Amsterdam, Utrecht en Nijmegen daar substantieel boven liggen. Eerder dit jaar bleek al dat de huurprijs van een studentenkamer buiten de Randstad sneller opliep dan in de grote steden, waardoor het prijsverschil geleidelijk kleiner wordt.

Amsterdam kent bijna uitsluitend te dure kamers

Het beeld is het scherpst in Amsterdam. Daar is volgens het onderzoek 97 procent van de aangeboden kamers te duur, met een gemiddelde overschrijding van 421 euro per maand. Een kamer in de hoofdstad kost daarmee in de praktijk bijna 1.000 euro.

In Utrecht gaat het om 72 procent van de advertenties. Voor beleggers in studentenhuisvesting is dat cijfer relevant, omdat het aangeeft hoe groot het verschil is tussen de markthuur die particuliere verhuurders realiseren en de gereguleerde huur waar het stelsel op stuurt.

Handhaving blijft achter bij de wet

De Wet betaalbare huur legt de handhaving nadrukkelijk bij gemeenten. Uit de inventarisatie van Argos blijkt dat de meeste gemeenten die rol nauwelijks invullen. In Utrecht en Nijmegen werden geen boetes opgelegd en werden geen huren verlaagd; Amsterdam benaderde in 2025 twee verhuurders.

Daarmee ontstaat een handhavingstekort dat het effect van de wet ondermijnt. Studenten kunnen de huur weliswaar laten toetsen bij de Huurcommissie, maar doen dat zelden zolang zij afhankelijk zijn van dezelfde verhuurder voor hun woonruimte.

Gemeenten wijzen op hun beurt op capaciteit. Het opsporen van te hoge huren vraagt om puntentellingen per woonruimte, dossieropbouw en juridische opvolging, terwijl de kamermarkt bestaat uit een groot aantal kleine verhuurders. Zonder meldingen van huurders komt handhaving in de praktijk nauwelijks op gang.

Het onderwerp ligt gevoelig omdat het kabinet tegelijkertijd de regelgeving bijstelt. Zo werd eerder aangekondigd dat de Wet betaalbare huur op drie punten wordt versoepeld, onder meer in het woningwaarderingsstelsel, om verhuurders in het middensegment meer ruimte te geven.

Rotterdam en Den Haag treden wel op

Twee steden vormen een uitzondering. Rotterdam greep volgens het onderzoek honderden keren in bij verhuurders die te veel vroegen. Den Haag zet handhavingsteams in en werkt met een verhuurvergunning, waarmee de gemeente eisen kan stellen aan wie kamers op de markt brengt.

Die aanpak laat zien dat het instrumentarium wel degelijk werkt, maar dat het capaciteit en politieke prioriteit vraagt. Beide steden hebben bovendien een relatief grote particuliere huurvoorraad, waardoor het effect van optreden zichtbaarder is.

De verhuurvergunning is daarbij het scherpste instrument, omdat een gemeente die kan intrekken bij herhaalde overtredingen. Voor verhuurders verandert daarmee het risicoprofiel van kamergewijze verhuur: niet alleen de huurprijs, maar ook de vergunning zelf komt in het geding.

Marktinzicht

Voor institutionele beleggers in studentenhuisvesting onderstreept het onderzoek het verschil tussen de gereguleerde en de ongereguleerde kant van de kamermarkt. Professioneel beheerde complexen bewegen zich doorgaans binnen het stelsel, terwijl de overschrijdingen vooral in de versnipperde particuliere voorraad zitten.

Voor gemeenten betekent dit dat de kamermarkt de komende jaren een handhavingsopgave blijft, ongeacht de aangekondigde versoepelingen. Zolang het aanbod structureel achterblijft bij de vraag, blijft de prikkel om boven het maximum te verhuren bestaan.

Foto: Jan van der Wolf from Pexels

All rights reserved © 2026 Young Media