Industrieel bouwen wint terrein in de woningbouw.
Industrieel bouwen groeit uit tot een vast onderdeel van de Nederlandse woningproductie, maar de opschaling verloopt trager dan het kabinet voor ogen heeft. Marieke Mentink, sinds dit voorjaar ceo van bouwbedrijf Plegt-Vos, stelt in een vraaggesprek dat op 10 augustus 2026 verscheen dat de traditionele aanpak vastloopt en dat de woningbouwopgave zonder fabrieksmatige productie niet is bij te benen.
Haar stellingname sluit aan bij een markt die zich in stilte opnieuw ordent. Een klein aantal producenten neemt inmiddels het leeuwendeel van de fabriekswoningen voor zijn rekening, terwijl de vraag verschuift van grondgebonden woningen naar appartementen en de rijksambitie voor 2030 op de huidige groeicurve buiten bereik blijft.
Mentink volgde per 1 maart van dit jaar Theo Opdam op als ceo van het Twentse familiebedrijf Plegt-Vos, dat 123 jaar bestaat en waarbij Opdam als eigenaar betrokken blijft. Zij begon haar loopbaan in 2007 bij hetzelfde bedrijf als manager vastgoedontwikkeling, stapte in 2012 over naar Dura Vermeer en was daar laatstelijk divisiedirecteur Bouw en Vastgoed.
In het vraaggesprek met PropertyNL stelt zij dat wie op de traditionele manier doorgaat, vastloopt, en dat het woningtekort alleen met opgeschaalde modulaire bouw is te adresseren. Fabrieksmatig geproduceerde woningen stoten volgens haar circa 80 procent minder CO2 uit dan traditioneel gebouwde woningen. De weerstand tegen fabrieksbouw noemt zij niet terecht.
Mentink wil de samenwerking tussen vastgoedontwikkeling, bouwbedrijf, fabrieken en onderzoek binnen Plegt-Vos versterken, zodat de productie beter aansluit op de vraag in de markt en de keuzemogelijkheden voor woonconsumenten toenemen.
De cijfers ondersteunen haar analyse. Volgens onderzoek van adviesbureau Roland Berger onder 43 woningproducenten werden in 2025 14.700 woningen industrieel geproduceerd, 8 procent meer dan een jaar eerder. Daarmee komt ruim een op de vijf nieuwbouwwoningen uit de fabriek, een marktaandeel van 21 procent. Voor dit jaar rekenen producenten op circa 10 procent extra groei.
De markt concentreert zich daarbij sterk. De twintig grootste producenten nemen 83 procent van de prefabproductie voor hun rekening, met Daiwa, Plegt-Vos, Barli, Van Wijnen met Fijn Wonen en Ursem met Heddes als grootste vijf. De gemiddelde bezettingsgraad van de fabrieken bedraagt volgens hetzelfde onderzoek 45 procent, wat op aanzienlijke onbenutte capaciteit wijst.
Op projectniveau is de versnelling zichtbaar bij initiatieven als de modulaire woningen die de woningbouw in Meierijstad moeten versnellen, waar fabrieksmatige productie de doorlooptijd op locatie fors terugbrengt.
Waar prefab lang werd geassocieerd met rijtjeswoningen en flexwoningen, verschuift het zwaartepunt naar gestapelde bouw. In 2025 bestond 67 procent van de industrieel geproduceerde woningen uit appartementen, tegen 61 procent een jaar eerder. Die verschuiving weerspiegelt de binnenstedelijke verdichtingsopgave, waar hoogbouw en transformatielocaties het aanbod bepalen.
Ook het kostenargument wint aan gewicht. Van de fabriekswoningen was 73 procent goedkoper dan een vergelijkbare traditioneel gebouwde woning, terwijl 64 procent werd gerealiseerd met een permanente bouwvergunning. Daarmee verschuift industrieel bouwen van tijdelijke noodoplossing naar reguliere productiemethode.
Het Rijk streeft ernaar dat in 2030 de helft van alle nieuwbouwwoningen industrieel wordt gerealiseerd. Zet de huidige trend door, dan komt het aandeel in dat jaar naar verwachting uit tussen 30 en 40 procent, ruim onder die ambitie. Ook het aandeel biobased materialen blijft achter: nu wordt circa 30 procent van de fabriekswoningen biobased uitgevoerd, tegen een doelstelling van 70 procent in 2030.
Het gat tussen ambitie en realisatie voedt de roep om een nieuwe bouwcultuur, waarin opdrachtgevers hun uitvraag standaardiseren en gemeenten hun eisen minder per project laten verschillen. Zonder die uniformering blijft de bezettingsgraad van de fabrieken laag en blijft schaalvoordeel uit.
Voor ontwikkelaars, corporaties en institutionele beleggers betekent dit dat industrieel bouwen niet langer een niche is, maar een productiekanaal met een eigen dynamiek van capaciteit, standaardisatie en leveringszekerheid. Wie langjarige afspraken maakt met producenten, koopt daarmee vooral voorspelbaarheid in bouwtijd en bouwkosten.
Tegelijk toont de lage bezettingsgraad dat de knelpunten zich verplaatsen naar de vraagzijde. Niet de fabriekscapaciteit remt de opschaling, maar de versnippering van programmas, vergunningen en grondposities. Zolang die versnippering blijft bestaan, groeit het aandeel fabriekswoningen gestaag door, maar niet in het tempo dat de rijksdoelstelling voor 2030 veronderstelt.
Foto: Jan van der Wolf from Pexels