Woonruimte per persoon in Nederland blijft achter.
Nederlanders beschikken over gemiddeld 41 vierkante meter nuttige woonruimte per persoon, tegen circa 45 vierkante meter in economisch vergelijkbare Noordwest-Europese landen. Dat blijkt uit onderzoek van emeritus-hoogleraar gebiedsontwikkeling Friso de Zeeuw en woningonderzoeker Geurt Keers, dat op 10 augustus 2026 breed werd opgepakt in de vakpers. De onderzoekers keren zich daarmee tegen de veelgehoorde stelling dat Nederlanders uitzonderlijk ruim wonen.
Die stelling is niet vrijblijvend. Ze wordt in het woonbeleid geregeld gebruikt om te sturen op een bouwprogramma met overwegend kleine appartementen. Als de onderliggende aanname niet klopt, raakt dat direct de programmering van nieuwbouwprojecten, de afzetbaarheid van woningen en daarmee het risicoprofiel van gebiedsontwikkelingen.
Met 41 vierkante meter per persoon staat Nederland volgens de onderzoekers negende in Europa, net boven het Europese gemiddelde van 37,5 vierkante meter. In de vergelijking met de economisch vergelijkbare buurlanden valt het beeld anders uit: daar ligt het gemiddelde op circa 45 vierkante meter en liggen acht landen ruim boven Nederland.
Het verschil met het Europese gemiddelde wordt volgens De Zeeuw en Keers vooral bepaald door landen met een aanzienlijk lager welvaartsniveau. De relevante meetlat is volgens hen de groep landen met een vergelijkbaar inkomen en een vergelijkbare bevolkingsdichtheid.
De onderzoekers rekenen niet met het totale woonoppervlak, maar met de ruimte die daadwerkelijk voor het wonen wordt gebruikt. Het CBS kwam eerder uit op circa 53 vierkante meter woonoppervlak per persoon; het verschil met de 41 vierkante meter uit dit onderzoek komt voort uit die afwijkende afbakening.
Die afbakening is meer dan een technisch detail. Internationale vergelijkingen van woonoppervlak lopen uiteen doordat landen verschillende definities hanteren, waardoor Nederland er in ruwe statistieken ruimer uit kan zien dan in de praktijk het geval is. Volgens de onderzoekers gaat Nederland bovendien efficiënt om met de beschikbare grond, ondanks de hoge bevolkingsdichtheid.
De Zeeuw spreekt van een fundamentele misvatting dat Nederlanders te groot zouden wonen. Die misvatting werkt volgens hem door in het woningbouwbeleid, dat sterk leunt op compacte binnenstedelijke appartementen als antwoord op het woningtekort.
Voor ontwikkelaars en beleggers is dat relevant, omdat de programmering van een project bepaalt wie er uiteindelijk kan en wil wonen. Een aanbod dat overwegend uit kleine eenheden bestaat, bedient starters en kleine huishoudens, maar biedt weinig ruimte aan gezinnen en aan doorstromers die juist een grotere woning zoeken.
Eerder wees het duo er in een co-publicatie voor brancheorganisatie NEPROM al op dat er niet gebouwd wordt zoals Nederlanders willen wonen. Die conclusie was gebaseerd op het woononderzoek WoON2024 en sluit aan bij de eerdere constatering dat het aanbod van woontypologieen te eenzijdig is.
Volgens De Zeeuw zou het bouwbeleid moeten worden bijgesteld naar wat consumenten daadwerkelijk vragen: een ruimer appartement of een eengezinswoning met tuin. Dat raakt aan de kern van de woningbouwopgave, waarin locatiekeuze, dichtheid en woningtype elkaar voortdurend beinvloeden.
De mismatch is ook zichtbaar in de doorstroming. Wanneer het nieuwbouwaanbod onvoldoende aansluit bij de wensen van huishoudens die een stap willen zetten, blijven verhuisketens korter dan nodig. Recente cijfers lieten zien dat de doorstroming op de woningmarkt aantrekt, terwijl starters achterblijven.
Tegelijk blijft de ruimtelijke werkelijkheid weerbarstig: netcongestie, bouwkosten en de beschikbaarheid van locaties bepalen mede welk woningtype rendabel te realiseren is. Een verschuiving naar ruimere woningen vraagt daarom om meer dan alleen een andere programmatische ambitie.
Voor projectontwikkelaars en institutionele beleggers onderstreept het onderzoek dat de aanname over ruim wonen kritisch tegen het licht moet worden gehouden voordat zij aan een programma ten grondslag wordt gelegd. De woonruimte per persoon is in Nederland niet uitzonderlijk hoog, wat de ruimte beperkt om kleinere plattegronden als vanzelfsprekende standaardoplossing te hanteren.
Voor de vastgoedsector betekent dit dat afzetrisico’s scherper in beeld komen bij projecten die uitsluitend op compacte eenheden inzetten. De discussie over woningtypologie verschuift daarmee van een normatief debat over hoe ruim Nederlanders zouden mogen wonen naar een marktvraag: welk product sluit aan bij de betalende woonconsument.
Foto: Tasso Mitsarakis from Pexels