Woontorens in Groningen, een van de grootste bestemmingen voor studentenhuisvesting
26 aug 2026 - Young Media

Studentenhuisvesting volgt de regionale trek van jongeren.

Studentenhuisvesting volgt de regionale trek van jongeren.

Jongeren die het ouderlijk huis verlaten voor een universiteitsstad blijven overwegend in hun eigen regio. Dat blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek op 26 augustus 2026 publiceerde. Voor investeerders in studentenhuisvesting is dat relevant, omdat het de vraag naar kamers sterker koppelt aan regionale demografie dan aan landelijke studentenaantallen.

In 2025 verlieten bijna 32.000 jongeren van 17 tot en met 22 jaar het ouderlijk huis om in een universiteitsstad te gaan wonen. Ruim 80 procent van hen kwam uit een andere gemeente, maar de meesten verhuisden niet ver.

Bijna 32.000 jongeren naar een universiteitsstad

Het aantal van bijna 32.000 ligt volgens het CBS op hetzelfde niveau als in 2024 en 2022. Tussen 2015 en 2021 lag het jaargemiddelde hoger, op circa 36.000. In 2023 piekte het aantal boven de 50.000, samenvallend met de herinvoering van de basisbeurs.

Die schommeling laat zien hoe gevoelig de vraag naar studentenkamers is voor studiefinanciering. Beleidswijzigingen in het hoger onderwijs vertalen zich binnen één studiejaar in de bezettingsgraad van complexen, terwijl de bouw van nieuwe studentenhuisvesting jaren vergt.

Amsterdam en Groningen trekken de meesten

Amsterdam en Groningen namen met respectievelijk 5.300 en 5.100 jongeren de grootste aantallen op en waren de enige steden die boven de 5.000 uitkwamen. Dat Groningen daarbij vrijwel gelijk opgaat met Amsterdam is opvallend, omdat de hoofdstad ongeveer twee keer zoveel studenten telt.

In Amsterdam en Rotterdam woonde circa 30 procent van de jongeren die zelfstandig gingen wonen al in die stad. Van de overige nieuwkomers kwam het merendeel uit een straal van ongeveer 50 kilometer. In de grote steden bestaat de instroom dus voor een aanzienlijk deel uit doorstromers binnen de eigen woningmarkt, niet uit nieuwe inwoners.

Studentenhuisvesting wordt een regionale opgave

Elke universiteitsstad heeft volgens het CBS een eigen verzorgingsgebied. Groningen trekt jongeren uit de noordelijke provincies, Enschede uit het oosten, en Maastricht, Tilburg en Eindhoven putten uit Noord-Brabant en Limburg. Wageningen wijkt af en trekt vrijwel landelijk.

Voor ontwikkelaars en beleggers betekent dit dat de vraagraming per stad niet los kan worden gezien van de demografische ontwikkeling in het omliggende gebied. In krimpende regio’s daalt de instroombasis structureel, terwijl universiteitssteden met een groeiend achterland hun bezetting eenvoudiger op peil houden. Dat sluit aan bij eerdere bevindingen dat de regionale woningmarkt jongeren dicht bij huis houdt.

Ook voor gemeenten heeft die regionale binding gevolgen. Een universiteitsstad die haar kamervoorraad uitbreidt, bedient daarmee in de praktijk vooral jongeren uit de omliggende gemeenten, wat de programmering van studentenhuisvesting eerder tot een regionale dan tot een lokale afweging maakt.

Vrouwen en internationale studenten wijken af

Over de afgelopen vijf jaar bestond de instroom in Maastricht en Nijmegen voor ongeveer tweederde uit vrouwen. De technische universiteitssteden Delft, Eindhoven en Enschede trokken juist meer mannen. Circa 17 procent van de wo-studenten in Nederland is internationaal; in Maastricht loopt dat aandeel op tot boven de 60 procent.

Die samenstelling heeft directe gevolgen voor het woonproduct. Internationale studenten zijn sterker aangewezen op gemeubileerde kamers met korte contracten en op aanbod dat vanaf het buitenland te huren is, terwijl de regionale instroom vaker terechtkomt in de bestaande particuliere kamermarkt.

Vooruitblik

Het tekort aan studentenwoningen loopt volgens brancheorganisatie Kences dit jaar op tot tussen 23.000 en 30.000 kamers. De Landelijke Monitor Studentenhuisvesting 2026 wordt op 3 september 2026 gepresenteerd en moet uitwijzen of het tekort verder toeneemt. Het aandeel uitwonende hbo- en wo-studenten daalde volgens Kences de afgelopen jaren van 52 naar 44 procent.

Voor investeerders in studentenhuisvesting onderstrepen de CBS-cijfers dat schaarste en overschot zich per stad anders manifesteren. Waar het achterland groeit, blijft de bezettingsgraad hoog; waar het krimpt, wordt de exploitatie afhankelijker van internationale instroom en van doorstromers uit de stad zelf. Prijsontwikkelingen wijzen intussen dezelfde kant op, zoals blijkt uit het feit dat de studentenkamer buiten de Randstad sneller in prijs stijgt.

Foto: Jannick Nijholt from Unsplash

All rights reserved © 2026 Young Media